De finishlijn ligt pas in Tokio, maar toch: de Nederlandse atletiek floreert momenteel als zelden tevoren. Belangrijke kracht achter de successen is Ad Roskam, boerenzoon uit Ens en ooit een ‘onmogelijke’ zwemtrainer in Leeuwarden. ,,Schaarste bestaat, beperkingen niet.’’

Nationaal sportcentrum Papendal is deze ochtend een oase van rust. Op de atletiekbaan geen kip, wel een onderhoudsman op een zitmaaier en een opgeschrikte fazant. Ook in het bondsbureau van de Atletiekunie heerst stilte. In het trappenhuis hangt een lat op 2,30 meter, voorstellende het inmiddels 22 jaar oude hoogspringrecord van Wilbert Pennings. Als Douwe Amels dit voor 1 juli van de muur/uit de boeken weet te springen, lijkt de Drachtster verzekerd van een olympisch startbewijs. Over belegen records gesproken: even verderop prijkt de naam van Erik de Bruin en diens nationaal record discuswerpen. Op 1 april 1991 kwam hij in Sneek tot 68,12 meter.

Maar op de wanden prijken niet alleen vergeelde recordvermeldingen. Kersvers zijn de puike prestaties van polsstokhoogspringer Menno Vloon, hordeloopster Nadine Visser en de 400-metertoppers Femke Bol en Liemarvin Bonevacia. Ze onderstrepen het beeld dat is ontstaan van de Nederlandse atletiek. Het gaat geweldig. Waar tot voor kort gehoopt werd op een incidenteel succes, wordt nu op diverse discplines gestreden om de belangrijkste titels. Het jongste voorbeeld is een week oud: op het WK estafette wonnen de mannen goud op de 4x400 en sprintte het vrouwenkwartet naar brons. Alle vijf estafetteteams zijn geplaatst voor de Spelen.

En dat uitgerekend tijdens de coronacrisis. ,,Het is eerder dankzij de crisis in plaats van ondanks’’, zegt Ad Roskam. Hij verklaart. ,,Vanaf het moment dat het virus alles stillegde, hebben we geen dag verloren laten gaan. Vanaf dag 1 hebben we gedacht in oplossingen. Het was Charles (Van Commenée, hoofdcoach Atletiekunie, red.) en mij meteen helder dat we de atleten structuur moesten bieden. Elke ‘lege’ dag vormde een gevaar. Het is echt kicken hoor, als je ziet hoe onze creativiteit zich nu uitbetaalt. We juichen nog lang niet, want pas na Tokio maken we de balans op, maar vooralsnog is de Nederlandse atletiektop de crisis prima doorgekomen.’’

Het gaat in de top niet om ‘leuk’

De 63-jarige Roskam is voor een flink deel verantwoordelijk voor het succes. Hij is inmiddels zeven jaar technisch-directeur van de Atletiekunie. De in Ens geboren Roskam stelt zonder spoortje van arrogantie vast dat het in sportief opzicht zeven vette jaren waren. Hij brengt zijn rol in het geheel kernachtig onder woorden. ,,De kwaliteit van de dagelijkse trainingen is de belangrijkste knop waaraan je draait. Daar zit je constant aan te sleutelen. Je moet voor de atleten de optimale voorwaarden zien te creëren. Als ik tegelijkertijd de beste trainers en coaches weet te vinden, heb ik vervolgens de makkelijkste baan.’’

Roskam is door schade en schande wijs geworden. ,,Maar dat geldt denk ik voor iedereen.’’ Terugkijkend op zijn carrière als trainer noemt hij zich een ‘onmogelijke jongen die nooit tevreden was’. ,,Ik was gewoon onredelijk.’’ Lachend: ,,Dat kan ik nog wel zijn trouwens, maar een tandje minder dan destijds.’’ Serieus: ,,Maar wat hetzelfde is gebleven: het gaat in de top niet om ‘leuk’. Het gaat erom dat je de sporter op de olympische startlijn krijgt.’’

Zelf was hij geen topper. ,,Ik moest van mijn ouders aan sport doen. Ik ben in van alles en nog wat mislukt, maar zwemmen beviel meteen.’’ Roskam meldde zich in Emmeloord aan bij Zignea. ,,Zwemmen Is Gezond Nuttig En Aangenaam. Prachtig. Ik zwom wat clubrecords, maar al op m’n veertiende merkte ik dat ik training geven mooi vond. In het jaar van mijn vwo-examen werd ik gevraagd hoofdcoach te worden. ‘Prima’, zeiden mijn ouders, ‘maar als je ergens onvoldoende op komt te staan, stop je er direct mee’. Een betere motivatie om op school mijn stinkende best te doen, was er niet. Ik vond training geven namelijk een zeer intrigerende bezigheid. De ontwikkeling van het menselijk lichaam, de balans vinden tussen de energiesystemen, de beweging in het water en de weerstand die je daarbij ondervindt. Dat hele samenspel is ongelooflijk boeiend. Ik liep voortdurend achter mijn eigen nieuwsgierigheid aan. Heel vaak dacht ik: als ik dít eerder had geweten, was ik als zwemmer een stuk sneller geweest.’’

Vanwege de lerarenopleiding streek Roskam neer in Leeuwarden, iets later gevolgd door een verhuizing naar Tytsjerk. Ruim zeventien jaar gaf hij zijn beste krachten aan zwemvereniging Orca. Zijn gedrevenheid zorgde destijds voor irritaties. ,,Ik wilde voortdurend het onderste uit de kan.’’ Maar onder zijn vleugels braken talenten door. Blikvanger Karin Brienesse bereikte drie keer de Spelen. ,,Mijn drijfveer was dat ik een bijzondere trainer wilde worden, de beste. Tegelijkertijd wist ik dat je voor succes afhankelijk bent van de eieren die in je mandje vallen, het talent dat zich bij je club meldt. Je valt als trainer snel op als een pupil van je succes heeft, maar het succes van Brienesse maakte mij niet per definitie een goede trainer-coach. Ik leerde dat je als trainer heel veel tools in je gereedschapskist moet hebben en dat je pas echt een goede coach bent als je een al iets oudere sporter door een moeilijke periode weet te loodsen.’’

Ik wilde voortdurend het onderste uit de kan

Roskam werkte, als afgestudeerd antropoloog, bij het Tropeninstituut toen hij werd gebeld door de toenmalig voorzitter van de KNZB. ,,Hij kwam voor een gesprek zelfs naar Leeuwarden. De bond zocht iemand voor de portefeuille topzwemmen. Ik was verbaasd, maar kennelijk was ik opgevallen.’’ Roskam aarzelde. ,,Ik vond het zwemwereldje na bijna twintig jaar wel klein geworden en overwoog voor een baan naar Engeland te verhuizen. Ik hou van reizen, maar aan de andere kant besefte ik: als je vaak aanmerkingen op het beleid hebt, moet je niet weglopen als ze je vragen er wat aan te gaan doen. Het was natuurlijk ook een mooie kans.’’ Hij had niets te verliezen. ,,De Spelen van 1992 waren een echec geweest.’’ In Barcelona won de veertienkoppige zwemequipe geen enkele medaille.

Tytsjerk werd verruild voor Leusden, nog altijd de woonplaats van Roskam. ,,Op basis van mijn drive en ideeën stroopte ik gewoon de mouwen op. Ik voelde me bevoorrecht; dat gevoel heb ik trouwens nog steeds. Aan carrièreplanning heb ik nooit gedaan. Ik heb altijd leuke dingen willen doen en ik heb daar de kansen voor gekregen.’’

Wat maakt hem tot een geschikte technisch-directeur? Roskam: ,,Ik kan goed analyseren en greep krijgen op de dingen. Hoe? Door het simpel te houden en duidelijkheid te scheppen. Dat laatste waarderen de sporters, aan duidelijkheid hebben ze het meeste behoefte. Ik ben creatief en in staat snel keuzes te maken. Daarbij moet je niet bang zijn óm die keuzes te maken. In deze functie moet je ook kunnen relativeren en leren geduld te hebben. Voorts heb ik onder alle omstandigheden een scherp oog voor respect en redelijkheid.’’ Lachend: ,,Dat je ‘nee’ kunt zeggen, strekt tot aanbeveling, want het spreekt voor zich dat je niet altijd iedereen een plezier kunt doen. Je moet er tegen kunnen dat niet iedereen je een aardige vent vindt.’’

Op weg naar de Spelen van Athene (2004) werd Roskam bij sportkoepel NOC-NSF benoemd tot prestatiemanager. Gedurende elf jaar raakte hij intensief betrokken bij diverse sporten. ,,Ik kwam van buitenaf. Dat bezorgt je autoriteit, maar minstens zo belangrijk is je frisse blik.’’ Roskam droeg op de achtergrond zijn steentje bij aan het succes van de waterpolovrouwen, die goud wonnen op de Spelen van 2008. ,,Ze waren al goed, maar ik keek hoe de concurrentie het deed en wat de verschillen waren. Op enkele vlakken vond ik dat het beter kon. Maar overschat het niet. Mijn rol was 0,0001 procent. De rol van de coach was stukken belangrijker en we hadden het voordeel dat er binnen het team een mooie balans bestond tussen bepalende speelsters en ‘waterdragers’.’’

Levend met het idee ‘de leukste baan van de wereld te hebben’, werd Roskam in 2014 gevraagd voor zijn huidige functie. Hij hapte om meerdere redenen toe. ,,Ik wist dat er muziek in de groep atleten zat en na elf jaar NOC-NSF bestond het gevaar dat ik mijn werk op routine ging doen. Ik loop graag wat op mijn tenen.’’ Roskam is momenteel verantwoordelijk voor een staf van dertig personen, waarvan twaalf coaches. ,,Zij werken met ongeveer honderd atleten, waarvan zo’n zestig op Papendal. Ik maak programma’s en stel vragen. Alles is gericht op verbeteren.’’ In dat streven kent hij geen beperkingen. ,,Die bestaan niet. Schaarste wel. Momenteel is bijvoorbeeld vrijheid schaars, je kunt niet alles doen. Geld kan ook schaars zijn, maar ook dat zal mij nooit beperken. Je moet creatief zijn, prioriteiten stellen en keuzes maken. Er is altijd een alternatief. Kan plan A niet worden uitgevoerd, dan wordt plan B plan A. Je moet schakelen en accepteren dat de weg naar succes nooit makkelijk is. Kijk naar Yvonne van Gennip in 1988. Na een zeer moeizame voorbereiding drie keer goud.’’

Je moet er tegen kunnen dat niet iedereen je een aardige vent vindt

De aanpak werkt, ook in coronatijd. Roskam speelt echter geen mooi weer. ,,Je loopt voortdurend over een dun draadje. De successen zijn als wind in de zeilen, maar al het extra werk kost veel energie. Testen regelen, wéér inspelen op gewijzigde protocollen, vliegreizen omboeken, etcetera. Daar krijg je niks ‘tastbaars’ voor terug. Ja, corona, zodat atleten opnieuw getest moeten worden en in quarantaine moeten. Dat ontmoedigt soms, zo eerlijk ben ik, maar nogmaals: in de top moet je met tegenslag om kunnen gaan. We staan in de wandelgangen heus wel eens uit te puffen, maar je móet door. Tokio komt eraan. Tenminste: daar handel ik voortdurend naar, maar ik zal niet verrast zijn als de Spelen toch nog worden afgelast.’’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Sport
Interview
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct