Kaatsen in de negentiende eeuw, hier op de PC van 1888 in Franeker.

De PC werd twee keer getroffen door een epidemie

Kaatsen in de negentiende eeuw, hier op de PC van 1888 in Franeker.

De coronacrisis treft ook de sport. Dat is niet nieuw: een van de oudste sportwedstrijden in ons land, de PC, werd twee keer getroffen door een epidemie. In 1859 door pokken, in 1866 door cholera. Dat is althans het steeds weer vertelde verhaal, ook in min of meer officiële publicaties.

In 1866 (en ook nog een jaar later) heerste in Nederland inderdaad cholera. De epidemie brak in het voorjaar uit, trof vooral Zuidwest-Nederland en eiste 21.000 doden. Friesland bleef niet buiten schot: eind juli waren in deze provincie enkele honderden doden gevallen. Burgemeester en wethouders van Franeker hadden reeds op 4 juli passende maatregelen genomen: het verbieden van de jaarlijkse kermis rond 1 augustus. Daarmee zou ook de PC van de baan zijn.

Kennelijk heeft de PC de situatie na 4 juli even willen aanzien en waarschijnlijk kort voor 17 augustus verzocht de kaatswedstrijd alsnog te mogen houden. Maar burgemeester Rudolphus Ludovicus Adrianus Hamerster Dijkstra is in zijn antwoord van 17 augustus onverbiddelijk: geen kaatspartij. Hij motiveert zijn afwijzing aldus: ‘Overwegende dat men bij of voor het uitbreken eener epidemie [...] niet alleen maatregelen moet aanwenden om eene ziekte te bedwingen maar vooral ook om ze te voorkomen’.

Eerste PC die niet doorging in het openbaar

Dan terug naar 1859. De eerste die in het openbaar het niet doorgaan van de PC (die in 1854 voor de eerste keer werd gehouden) in verband brengt met een epidemie, is de voorzitter van de kaatsbond, Willem Westra. Hij doet dat in een artikel van 29 juli 1903 in de Leeuwarder Courant . Westra schrijft: ‘In 1859 werd wegens het heerschen eener besmettelijke ziekte geen wedstrijd gehouden’. Later hebben anderen daar de pokken van gemaakt. Westra voegt er, opmerkelijk, nog aan toe: ‘van 1866 is de oorzaak onbekend’.

Beide beweringen kloppen niet. Jan Bogtstra, grondlegger, penningmeester en later ook voorzitter van de PC, geeft in zijn financiële verantwoording van de eerste veertig PC-jaren geen reden voor 1859, maar over 1866 meldt hij: ‘cholera’. Dat is vreemd. Als eerder de pokken het spel hadden bedorven, zou hij zich die vreselijke ziekte toch ook hebben moeten herinneren?

Hoewel besmettelijke ziekten destijds regelmatig, vaak ‘slechts’ lokaal, de kop opstaken, was in 1859 zeker geen sprake van een wijd verbreide pokkenepidemie. Wel had volgens deze krant (ook) Friesland in de zomer last van een ‘koortsepidemie’. Maar heel bedreigend lijkt die in elk geval voor Franeker en omstreken niet te zijn geweest. B en W lieten daar de kermis als vanouds doorgaan. De zomermaanden van 1859 waren ongewoon warm en droog. Allerlei andere kaatspartijen – en volksvermaken als zeilen, harddraverijen, kermissen en jaarmarkten – vonden in Friesland gewoon plaats, ook in Franeker. Had de zo precieze en in 1893 nog steeds vitale Bogtstra (geboren in 1824) dan iets te verbergen?

Beginjaren PC

Voor een mogelijk antwoord moeten we heel kort naar de beginjaren van de PC kijken. De eerste PC was in alle opzichten een succes: sportief, organisatorisch en met enige duizenden bezoekers ook qua publieke belangstelling een ‘boppeslach’. Maar het ging snel mis: de PC’s van 1855, 1856 en 1858 moesten vanwege het weer (regen) worden uitgesteld. In 1856 was het zo erg dat de ‘directie’ van de Franeker Kaatspartij haar wedstrijd van het oude kaatsveld (bij droog weer een betonplaat, bij aanhoudende regen een modderpoel) moest verplaatsen naar het Sjûkelân.

Het slechte weer deed pijn, ook in financieel opzicht. De directie had in 1858 een kastekort van 34,90 gulden, waarvoor men zelf opdraaide. Omgerekend komt dat bedrag nu neer op een koopkracht van bijna 400 euro. Veel geld in een tijd waarin bepaald niet alles ‘jild en tabak’ was! Bovendien had de wel geslaagde PC van 1857 ‘met het schoonste weder’ toch nog een tekort opgeleverd (5,39 gulden). En dat juist de zuinige Bogtstra op de PC-penningen paste, kan ook een rol hebben gespeeld in 1859.

Het is goed te bedenken dat de directie haar wedstrijd niet hóéfde te organiseren. Het betrof een in alle opzichten particulier initiatief. Toch geeft ze in 1860 gehoor aan het verzoek ‘van onderscheidene kanten [...] weder eene Kaatspartij te doen plaats hebben’. En wat vanaf 1862 ook zal hebben geholpen, was de jaarlijkse gemeentelijke subsidie van 40 gulden. Pas in 1867 noemt de directie haar wedstrijd voor het eerst ‘jaarlijksche Kaatspartij’ en niet eerder dan in 1878 betitelt ze zichzelf als Permanente Commissie. De conclusie kan zijn dat niet een pokkenepidemie, maar hoogstwaarschijnlijk pijn in eigen portemonnee de Franeker Kaatspartij in 1859 heeft verpest. En waarom zou Bogtstra dát hebben willen vastleggen?

De in Feanwâlden woonachtige auteur is kaats- en sporthistoricus.

home
net-binnen
menu