Frysk Orkest 70 jaar: De provincie in (3)

Geen Nederlands orkest trad zoveel in dorpshuizen, kerken en kantines op als het Frysk Orkest. De band met het eigen speelgebied was innig. Van de Treemter in Balk tot de bibliotheek van Anjum, er werd gespeeld. Koren kregen overal begeleiding. Met alle ongemakken van dien.

Geen provincie die zichzelf zo graag door zijn plattelandse bril bekijkt als Friesland. Steden zijn er niet veel meer dan bakstenen vlekken in een eindeloos groen laken vol koeien. Is het daarom dat je in de Friese podiumkunsten pas geloofwaardig bent als je ook komt spelen in Wergea, Pingjum en Donkerbroek?

Geen toneelgezelschap dat zo school heeft gemaakt met optredens tot in de verste uithoeken van de provincie als Tryater. Het is daarin zelfs een voorbeeld geworden voor bijvoorbeeld Theatergroep Maastricht. Maar toen het nog bestond, had ook het Frysk Orkest in die tak van sport een naam hoog te houden.

Acceptabele klank

Natuurlijk, de meeste concerten kon je in de Harmonie in Leeuwarden beluisteren, en later in De Lawei in Drachten. Daar kon je terecht voor de grote symfonieën, voor het modernere werk of om te luisteren naar bekende solisten. Maar terwijl de meeste regionale orkesten bijna alleen de grotere zalen aandeden, kon de orkestbus in Friesland zomaar opduiken in Arum of De Westereen. En kregen koren door de hele provincie een beroepsorkest als begeleiding. Volgens het ene orkestlid hoorde dat tot de kern waar het er bij het Frysk Orkest om draaide. Een ander vond het haast onmogelijk om met een acceptabele klank voor de dag te komen.

De muziek die het orkest er speelde was aan de omstandigheden aangepast. ,,Wy holden wol rekken mei it repertoire. It wie foaral operette en licht klassyk yn de lytse sealtsjes'', vertelt Durk Lautenbach, trombonist vanaf 1974. Niks mis mee, vindt hij. Een orkest is er ook om een breed publiek op te zoeken: het huidige NNO speelt immers ook filmmuziek of staat met een dj op het podium. Bovendien zijn de kleine zalen niet geschikt voor een zware bezetting, zegt Lautenbach. ,,Je seinen achterôf wolris: it klonk net sa as it moatte soe. No, dan dogge je it dêrnei net wer.''

De provincie in

Een miskleun die cellist Marius van Delden zich nog altijd herinnert, is een nogal iele uitvoering van Beethovens Vijfde symfonie in de Treemter in Balk. ,,Dat deden we met drie cello's, terwijl er eigenlijk acht nodig zijn. Heel lachwekkend.'' Maar over het algemeen vond hij het optreden in de kleine zaaltjes prachtig. ,,Je had een geweldige band met je publiek. Er was ook altijd koffie en gevulde koek. Ik vond het meestal heel gezellig, bijvoorbeeld in Anjum. Daar had je een soort van zitkuil waar het publiek omheen zat.''

De omstandigheden om te spelen waren verre van ideaal. Het Frysk Orkest had, zeker in de eerste jaren, nergens de beschikking over een zaal met een goede akoestiek. De oude Harmonie klonk beroerd en voor de bouw van De Lawei, de eerste behoorlijke zaal in Friesland, speelde het orkest in Drachten altijd in de Philipskantine. Buiten de grote plaatsen was het soms wel erg bar, herinnert directeur Henk Smink zich. ,,It wie soms sa lyts. Dan wie der achter it poadium in toilet en moast de trompettist dêr sitte. ‘Salten, het stinkt hier!', rôp hy.''

Een jaarlijks hoogtepunt was de tournee, vlak voor de zomervakantie, langs de Waddeneilanden. Daar was het concert zo laat afgelopen dat het orkest met een eigen boot werd opgehaald. ,,Dat was ongelofelijk gezellig. Zelfs collega's die heel gesloten waren, werden losser'', zegt Van Delden. Tijdens die vaartochtjes vloeide de drank ook rijkelijk: ,,En dan ging iedereen vanaf Harlingen weer in de auto naar huis. Het waren andere tijden.'' Op Vlieland speelde het orkest soms ook op camping Stortemelk, in de openlucht, herinnert fluitist Yke Toepoel zich. ,,Daar was presentator Herman Emmink op vakantie en die praatte het dan even aan elkaar. Dat deed hij fantastisch.'' Op Schiermonnikoog was het podium zo klein dat het orkest alleen in de zaal kon zitten, met het publiek op de planken. ,,Het was vreselijk, het knalde je oor in'', zegt violist Leendert van der Zeep.

Het waren omstandigheden waar maar weinig beroepsorkesten mee te maken hadden. In Oosterwolde was het een keer zo heet dat de deuren naar buiten wagenwijd open moesten, herinnert Lautenbach zich. ,,En yn de tún wie der in pau, dy stie sa te skreauwen, troch it hiele konsert hinne.'' In Kollum landde er eens een duif midden op een van de pauken van de nog jonge paukenist Marinus Komst. ,,Hij liet er een poepje achter en vloog weer weg. In verzorgingstehuis Nieuw Toutenburg speelden we ook, voor demente bejaarden. Dan stonden er een paar op en begonnen ook te dirigeren. Geweldig.''

Hetzelfde Anjum dat Van Delden zo charmant vond, roept bij anderen minder warme herinneringen op. ,,Het was een bibliotheek met een heel laag plafond'', zegt Komst. ,,Kom je daar met een symfonieorkest. Dan stonden mensen op uit het publiek, gingen naar de wc en dan hoorde je ze doortrekken.'' Van der Zeep vond de klank zo beroerd dat je er niet behoorlijk kon spelen. ,,Ja, gezellig was het best, maar het is beter dat er geen recensent op af kwam, zeker niet van een landelijke krant.'' Volgens Van Delden moet je er juist het beste van maken: ,,Als de akoestiek niet goed is, neem je je eigen akoestiek mee, zei Aafje Heynis ooit en daar ben ik het mee eens. Zij heeft de Matthäus driehonderd keer uitgevoerd.''

Meteen verliefd

Komst had in Anjum trouwens ook andere bekommernissen dan de akoestiek. ,,Ik was negentien en net in Leeuwarden komen wonen. Zat daar in Anjum een ongelofelijk mooi Fries meisje in de zaal, ik was meteen verliefd. Ze was al snel onvindbaar. Ik ben later op mijn Kreidler naar Anjum teruggereden om haar te zoeken. Ik heb haar nooit meer gezien.''

Wat ook bij de taakomschrijving van het orkest hoorde, was het begeleiden van koren. De lijdenstijd stond elk jaar weer in het teken van uitvoeringen van de Matthäus Passion. In de rest van het jaar was de beurt aan de Messiah van Händel of Die Schöpfung van Haydn, om maar een paar voorbeelden te noemen. In de jaren zeventig waren het elk jaar tussen de 25 en 35 concerten, die werden geleid door de betreffende koordirigent. Met zeer wisselend succes.

De provincie in

Sommige dirigenten waren heel capabel, zoals Piet Post van het Leeuwarder Toonkunstkoor Concordia. Anderen waren beroerd en soms zo onzeker dat ze het orkest smeekten om hen zo goed mogelijk door het op te voeren stuk te loodsen. ,,Bij een slechte dirigent zakte het orkest ook echt in'', zegt Van der Zeep. ,,Dat zou het NNO niet meer gebeuren.'' Niet dat een krakkemikkig concert altijd door het publiek werd opgemerkt, merkt Van Delden op. ,,We hadden een keer een heel lieve, oude schoolmeester die de Messiah van Händel moest dirigeren. Het was allerbelabberdst, zo slecht dat ik het tijdens de pauze niet aandurfde om in de kerk koffie te gaan halen. Toen ik het uiteindelijk toch deed, kwamen er twee mannen op me af: ‘We hawwe sa genoaten'.''

Soms werd het een orkestlid zo gortig dat hij openlijk rebelleerde. Van der Zeep: ,,Altist Hasso van der Westen liet een keer expres zijn vioolsteun vallen. Wij speelden de Carmina Burana en hij ging er dwars doorheen Toréador spelen, het lied uit Carmen. Hij is een week geschorst geweest.''

Enorme baard

Toch vond ook directeur Henk Smink dat er een ondergrens moest zijn aan wat een dirigent kon. Hij stelde een klasje in voor dirigenten die voor het Frysk Orkest wilden staan. ,,Ze moesten wel een vierkwarts maat kunnen slaan'', zegt Van Delden. Maar die cursussen leidden ook weer tot de nodige hilariteit. Van Delden: ,,Er was een dirigent uit Drachten, met een groot bos haar en een enorme baard. Je kon geen gezicht zien, alleen maar twee oogjes. Stond met één arm te dirigeren, en de andere arm strak gespannen voor zijn lijf. Toen vroeg de cursusleider of hij zijn tweede arm niet ook zou gebruiken. ‘Die is niet voldoende ontwikkeld', antwoordde hij.''

Het constante getoer door de eigen provincie was dan lang uitstekend voor de band met het eigen publiek, met de jaren had die traditie zich wat overleefd. De zalen raakten leger, de mensen kregen ander vermaak. Soms was het bijna pijnlijk, zegt Van Delden. ,,Het dieptepunt was wel in Trebol in Harlingen, met een Amerikaanse cellist. Daar zaten drie man in de zaal.''

Tegenwoordig zou het amper voorstelbaar zijn, een duurbetaald symfonieorkest dat in de kleinste gaten komt spelen. ,,De wrâldferneamde pianiste Martha Argerich hat spile yn Hotel Oostergoo yn Grou. Oft se dat tsjinwurdich noch dwaan soe?'', vraagt oud-recensent Oene W. Nijdam zich af. De wereld is groter geworden en de muzikale eisen van het publiek zijn navenant hoger. Tijdens zijn laatste jaren gold het Frysk Orkest als bijna aandoenlijk ouderwets. Maar of daar nu nog zo tegenaan zou worden gekeken, waagt Lautenbach te betwijfelen. ,,Tsjinwurdich spylje orkesten ek yn de iepenloft en yn boatsjes. Wat wy doe dienen is no wer hiel modern.''

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement