Wieberen Elverdink.

Zwaaien

Wieberen Elverdink. FOTO LC

In het begin van de jaren negentig, ik had nog de basisschoolleeftijd, brachten wij onze zomervakanties enkele jaren door op een camping op Texel.

De Turkse Tent.

Een veld aan de rand van het bos bij De Koog.

Brommende witte vliegtuigjes, hoog in de helderblauwe lucht, waaruit meerdere keren per dag parachutisten sprongen.

Dan telden we de felgekleurde valschermen in het zwerk – ,,Fiif! Nee, seis!’’ – net zolang tot onze nekken stijf werden en de sierlijk zwevende parachutes achter de dennentoppen uit het zicht verdwenen.

Eén van de jaarlijks terugkerende vakantiehoogtepunten was de dag dat pake en beppe op bezoek kwamen.

Ik was een jaar of 9, 10 en vond dat iets wonderlijks. Texel voelde nog heel ver weg, een vreemd eiland in een andere provincie, over de Afsluitdijk en dan nog een stuk met de boot. En die monstertocht hadden pake en beppe dus over voor een dagje bij ons op camping.

Ha, daar kwamen ze aangewandeld, over het tegelpad naar ons kampeerveld, beppe in bloemenjurk, van pake herinner ik me zijn pilotenzonnebril.

,,Ah, goeie! Jim hjirre?’’, zeiden mijn heit en mem dan, pseudo-verrast, alsof het bezoek niet tot in de puntjes was gepland.

Als pake en beppe naar de camping kwamen, was het altijd mooi weer.

Als pake en beppe naar de camping kwamen, gingen we altijd naar het strand.

Als pake en beppe naar de camping kwamen, aten we altijd chinees.

En dan, als de babi pangang op was, maakten we een laatste gezamenlijke slag over kampeerterrein, het strandzand van het zweet en de zonnebrand nog plakkend aan onze lijven. Niet te lang - de laatste boot naar het vasteland vertrok over een uurtje.

Met z’n allen in twee auto’s naar de veerhaven. Het afscheid. Pakes Mitsubishi, die de boot opreed. Een paar minuten later: mijn grootouders, zwaaiend op het panoramadek aan de achtersteven.

Het aanzwellende gewoel van de schroeven.

De scheepshoorn, waar je altijd van schrok.

En dan: die kolos van een veerboot, die langzaam steeds verder van ons af, richting Den Helder gleed en pake en beppe tot steeds kleiner wordende, wuivende silhouetten reduceerde.

Op het puntje van de pier bleven wij dan zo lang mogelijk kijken, probeerden we hun gestaltes te volgen, tot ze met het blote oog niet meer te onderscheiden waren.

Wie ze het langst zag, won.

Soms meende iemand na een tijdje in de verte toch nog een opgestoken hand te ontwaren.

,,Se swaaie noch!’’, klonk het dan. Het werd een gevleugelde uitspraak in onze familie: bij elk afscheid, na elk bezoek, keken we vertrekkende auto’s of fietsen na met die woorden: ,,Se swaaie noch!’’

Dit allemaal kwam vanochtend ineens weer in mij op, toen ik op het paadje voor het appartement in pakes zorgcentrum stond.

Hij zat voor het raam, telefoon in de hand. We vertelden elkaar hoe het ging. Een gesprek met hobbels: pakes televisie galmde op standje senior.

Nadat we hadden opgehangen wandelde ik verder, maar op het hoekje was ik plots weer even op de pier in de veerhaven.

Ik draaide ik me nog een keer om, mijn ogen vonden zijn venster.

Hij zwaaide nog.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter : @WElverdink

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct