Wieberen Elverdink.

Wandelende tak

Wieberen Elverdink. FOTO MARCEL J. DE JONG

Het moet een deerniswekkend gezicht zijn geweest toen ik thuiskwam. Dikke opgezette ogen, als rode pingpongballen in te nauwe kassen. Gloeiende kop. Raspje in de ademhaling. Prutslierten uit beide neusga… goed, het beeld is wel duidelijk.

Die hele zaterdagmiddag had ik doorgebracht in het hok van Dinand, de hond van een speelkameraadje. Dinand was een Ierse setter, zo’n springerig, roestbruin geval, waarvan de glanzende lange haren tijdens het stoeien soms loslieten en dan pluksgewijs minutenlang door het donkere hok vlokten.

Ik was 8 jaar en had tot dat moment nog nooit van het verschijnsel ‘allergie’ gehoord.

Na het voorval ging het boek ‘Huisdieren’ met een klap dicht. Nooit meer wenste ik een puppy of een kitten. Zelfs als klasgenootjes eendrachtig smolten bij de zoete aanblik van een donzig hamstertje, opgerold in het zaagsel van de kinderboerderij, wonnen bij mij de gedachten aan jeuk en snot het van de vertedering.

Als volwassenen weerden we later stelselmatig elke vorm van dierlijk gezelschap uit ons huis, hoe zwaar onze kinderen hun smeekbedes voor een hond, poes, of konijn ook met melodrama (,,Heitie, alsjeblíííeft!’’) en onmogelijke beloftes (,,Jullie hoeven het hok nóóit schoon te maken!’’) omlijstten.

(Enige uitzondering vormden de twee goudvissen, Neptunus hebbe hun ziel, die een goede vriendin ons als bruiloftscadeau schonk – die van de hand te doen voelde als kwaad huwelijksvoorteken.)

Tot onze middelste van de week thuiskwam van school met, zo zei ze ernstig, ,,een belangrijke vraag.’’ Ik zette me schrap, je weet nooit welke serieuze thema’s er in het brein van een 10-jarige omgaan. Ze schraapte haar keel.

,,Mag ik een wandelende tak?’’

De meester hield wandelende takken in zijn klaslokaal en kennelijk waren die schepsels in de zomervakantie qua voortplanting – weliswaar ongeslachtelijk – nogal vol op het orgel gegaan. In het terrarium in de klas had zich nu een hele struik aan wandelende takken gevormd – kinderen konden ze zo mee krijgen.

,,Waarom zou je dat willen?’’, vroeg ik.

Ze rolde met haar ogen. ,,Omdat wandelende takken schattig zijn, duh.’’

Die zag ik niet aankomen. Je kunt van wandelende takken veel zeggen, dat ze fascineren, dat het leuk is om ze tussen het gebladerte te zoeken. Maar scháttig?

,,Is goed’’, zei ik van de weeromstuit. Het was eruit voor ik er erg in had, terugkrabbelen kon niet meer.

Dus kijk ik nu naar een plastic bak, voorzien van een dekseltje met ventilatierooster, met daarin wat verse klimop en twee groenige insecten die twijgje spelen.

'Zou het dan toch aan mij besteed zijn, wat knus huisdiergeluk'

De grootste heet Dancer, meer een naam voor een verzorgpony met weelderige manen, maar voor inspiratie had de 10-jarige niet naar haar stapel Penny ’s gegrepen. De tak dankt zijn naam aan de koddig verende beweging die hij bij de eerste kennismaking in haar handpalm had gemaakt.

Schattig, warempel.

Door Dancer vraag ik me af: zou het dan toch aan mij besteed zijn, wat knus huisdiergeluk?

Stel je voor: hang ik straks op een koude decemberavond op de bank met een dampende pot koffie onder een kleedje, mijn handen kroelend langs de tentakeltjes van een tevreden tsjirpende tak op mijn schoot.

Als-ie maar anti-allergeen is.


wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct