Voorbij de marktwerking

‘Tot in de jaren negentig stond het schoolhoofd zelf ook voor de klas en deed de leidinggevende taken erbij.’ FOTO SHUTTERSTOCK

Tot in de jaren negentig was er veel overheidsbemoeienis met de gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer en volkshuisvesting. Daarna draaide de politieke wind. Privatisering, zakelijkheid en efficiëntie werden de nieuwe sleutelbegrippen voor de collectieve sector.

De basis daarvoor vormde de klassieke economische theorie van de Schotse econoom Adam Smith. Een vrije markt werkt als ‘een onzichtbare hand’ die ervoor zorgt dat publieke diensten beter, goedkoper en innovatiever geleverd worden. Hoe anders pakte de marktwerking uit in het publieke domein?

Onlangs vertelde moeder Paula in de tv-serie In Europa , dat zij haar dochter Marit de eerste jaren naar de plaatselijke basisschool wilde laten gaan. Om haar dochter, met een lichte verstandelijke beperking, dagelijks als ‘meisje in het busje’ uit te zwaaien zag ze niet zitten. Moeder haar verzoek werd afgewezen. Het belangrijkste argument van de schooldirecteur was volgens moeder: ,,Marit haalt de gemiddelde score van de school naar beneden. De school wil goed scoren en daar kun je geen kinderen als haar bij gebruiken.’’

Gedrochten

In diezelfde aflevering gaf Sander Heijnen, auteur van het boek Fantoomgroei , een voorbeeld van een ziekenhuisdirecteur die hem had verteld dat hij verpleegkundigen had ontslagen. Het vrijgekomen budget werd vervolgens besteed aan het aanstellen van boekhouders die zorgverzekeraars moesten overtuigen dat de zorg doelmatig was geleverd.

Competitieve scoringsdrift, schaalvergroting, aanbestedingen, bureaucratie, afrekencultuur, status en geldzucht veranderden maatschappelijke organisaties in gedrochten. De oorspronkelijke bedoelingen van deze organisaties raakten meer en meer uit het zicht.

Niet de mens was leidend, maar het systeem. Met alle gevolgen van dien. Cliënten, gebruikers, bewoners voelden zich minder gehoord en machteloos. En de werkers in de publieke sector? Hun salarissen bleven achter, de regeldruk nam toe en hun betrokkenheid verdween. Velen raakten vervreemd van de dagelijkse werkzaamheden en verloren hun intrinsieke motivatie.

Betrokken en trots

Het heilig geloof in de almacht van de neoliberale marktwerking voor de publieke sector taant. Zelfs een hartstochtelijk pleitbezorger als de VVD verliest het vertrouwen. Het kan anders. Sterker: kort geleden wás het daadwerkelijk nog anders. Tot in de jaren negentig stond het schoolhoofd zelf ook voor de klas en deed zijn leidinggevende taken erbij.

De geneesheer-directeur was tevens praktiserend arts. Bij hen waren goed onderwijs en goede gezondheidszorg vanzelfsprekende doelen. Het vertrouwen in de professionals en hun instellingen was groot. De bedoelingen en ambities van de organisaties waren helder. De werkers voelden zich betrokken en waren trots op het eigen vak en de behaalde resultaten.

Lonkend perspectief

Het goede uit het verleden kan prima dienen als voorbeeld voor een hedendaagse opzet van maatschappelijke organisaties. Om de ontstane vervreemding om te buigen is het teruggeven van ‘eigenaarschap’ de sleutel, te beginnen bij de gebruikers en werkers. Zelfsturende teams zijn een must, cliëntenparticipatie vanzelfsprekend.

Verbinding ontstaat door het formuleren van een gezamenlijke ambitie. In de hernieuwde opzet dienen organisaties weer uitsluitend te werken aan hun primaire doelen en is de menselijke maat het uitgangspunt, dus kleinschalig.

Onder deze condities zullen publieke organisaties met bezieling weer doen waar ze goed in zijn. Een succesvol verleden biedt een lonkend perspectief voor de toekomst

Harrie Dijkstra uit Sneek is socioloog.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie