Elisabeth Post.

Vishaakjes

Elisabeth Post. FOTO ANNET EVELEENS

Dieren lenen zich voortreffelijk als model. Fotograferen wil bijna niet – ze bewegen altijd op het moment dat je afdrukt – maar schilders weten er wel raad mee.

In de negentiende eeuw verwierf de Groninger schilder Otto Eerelman (1839-1926) roem met zijn natuurgetrouwe schetsen en schilderijen van honden en paarden. In Groot-Brittannië was het George Stubbs (1724-1806) die een eeuw daarvoor het schilderen van paarden tot kunst verhief. Voor het bestuderen van de anatomie kocht hij oude, zwakke paarden om die voor dat doel te laten slachten. Het waren andere tijden en alles voor de kunst en wetenschap. Zijn tekeningen werden ook gebruikt door studenten diergeneeskunde.

Als dieren goed zijn weergegeven, dus als de kleuren goed zijn, de vacht glanst en als de verhoudingen kloppen, evenals de gelaatsuitdrukking en de oogopslag, dan is zo’n afbeelding een plezier om naar te kijken.

Ik hou van schilders die de moeite nemen om een levend dier te bestuderen en het karakter te vangen. Hiske Wiersma in Berltsum kan dat. In haar huis hing altijd een groot portret van de overleden huishond, een Rhodesian ridgeback. Een hond waar het gezin van hield, dat zie je in de oogopslag van de viervoeter. Een portret waaraan je ook ziet: de schilder heeft het met liefde gemaakt. Jan van der Kooi (1957) uit Burgum zat uren in een dierentuin om tijgers, olifanten en orang-oetans te bestuderen en te schetsen. Net zo lang tot hij wist hoe die dieren anatomisch in elkaar steken. En voor het bestuderen van skeletten mocht hij lessen van studenten aan de faculteit diergeneeskunde in Utrecht bijwonen.

Er zijn ook kunstenaars die op een andere wijze dieren in de kunst inzetten. Neem bijvoorbeeld Tinkebell. Ze wurgde in 2004 haar toch al zieke kat Pinkeltje, vilde die en maakte er een tas van. Ze wilde zo de vraag oproepen waarom het wel maatschappelijk geaccepteerd is productiedieren als koeien en varkens te doden voor consumptie, maar een huisdier niet. Haar actie had uiteindelijk wel tot resultaat dat het sinds 2014 bij wet verboden is zelf huisdieren te doden.

Ik hou van schilders die de moeite nemen om een levend dier te bestuderen en het karakter te vangen

Toen onze kat Beitske tongkanker had, hebben we haar bij de dierenarts vredig in laten slapen. En als we binnenkort moeten besluiten om het leven van onze vrolijke Engelse springer spaniël Morris – hij heeft een agressieve vorm van kanker – te beëindigen, dan knippen we hooguit een lok van zijn zwart-witte vacht. En we begraven hem onder de lindeboom in de achtertuin. Morris of Beitske als handtas om de aandacht te vestigen om antropomorfisme – het vermenselijken van dieren – te voorkomen? Dacht het niet.

Ook bizar: Kunstenaars Maya Bösch en Régis Golay hingen in 2013 een dode hengst in de etalage van een galerie in Genève. Niet om te choqueren, maar om een debat op gang te brengen over de controverses over het gebruik van dieren, zeiden ze.

En Yaël Wolfs tot slot reeg als afstudeerproject vier jaar geleden 220 levende wormen aan vishaakjes en hing die op in de kunstacademie van Zuyd Hogeschool in Maastricht. Waarom? Omdat ze toeschouwers die zich soms geen houding weten te geven tegenover zichzelf en de installatie, de ruimte wilde geven, schreef ze in een verklaring.

Kunst mag en moet schuren. Maar alles voor de kunst en dieren inzetten omdat je een punt wilt maken? Dat zou aan kaak gesteld moeten worden. Er zijn grenzen.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct