We waren al een dik halfuur aan het praten, over zijn zere knieën, over de sijsjes in zijn vogelhuisje, over onze nieuwbouwplannen, toen pake vanuit het niets zijn hoed met grijze ruitjes opzette. Zijn linkerarm wurmde hij door de mouw van een warm vest.

Die plotse handelingen verbaasden me.

Het was even voor twaalven, in de eetzaal beneden wachtte de bewoners van het zorgcomplex straks de warme maaltijd. Maar zowel daar als in de gangen ernaartoe stond de thermostaat niet veel lager dan in zijn eigen kamer. Hoed en vest had hij beslist niet nodig.

,,Wat sil pake?’’, vroeg ik.

,,Werom’’, antwoordde mijn grootvader. Er zat zomaar iets rusteloos in zijn ogen. ,,Op ’e fyts werom. Ik ha hjir al te lang west.’’

Ik ha hjir al te lang west – de woorden gonsden in mijn hoofd.

Het was alweer een tijd geleden dat ik bij pake in zijn kamer op de tweede verdieping op visite was geweest. De coronavoorschriften stonden nog maar één bezoek per dag toe en ik kende mijn plek daarin. Vanzelfsprekend moest dat ene bezoek vooral voorbehouden blijven aan pakes kinderen – mijn ouders, ooms en tantes – en zijn broers en zussen.

Bijna dagelijks brachten mijn ouders verslag uit van hoe het met pake ging. Hoe hij steeds vaker verdwaalde in de tijd. Hoe hij druk was met functies die hij al decennialang niet meer bekleedde. Hoe hij naar mensen informeerde die hem al lang geleden waren ontvallen.

Soms lazen ze voor uit de dagrapportages die het zorgpersoneel over ‘meneer’ invulde. Een enkele keer schaterlachten we om pakes strapatsen die daarin werden beschreven, soms scheen er een sprankje zonlicht in door, maar vaker waren het sombere berichten. Bij elkaar schetsten ze het beeld van een man die langzaam, maar onherroepelijk weggleed van de trotse, vrije wrotter die hij was geweest.

En nu zat ik aan de ronde tafel met het kleedje tegenover diezelfde man, mijn pake, en zei hij dat hij terugging, waarnaartoe wist hij zelf ook niet, in ieder geval niet naar de lunchruimte.

Het klonk alsof híj hier niet woonde, in het zorgcomplex, maar ík. Alsof hij op bezoek was bij mij, in plaats van andersom, en dat hij op hete kolen zat omdat er thuis, waar dat dan ook was, met het eten gewacht werd.

Ik ha hjir al te lang west.

Ik keek naar de klok, hielp pakes andere arm in zijn vest en duwde zijn rolstoel de lift in, naar de begane grond, waar de kruidige dampen al opstegen uit de keuken en het bestek al klaarlag bij zijn vaste plek, de lange tafel tegenover de bar.

Toen ik even later wegging, voorbij de vrijwilligers in de eetzaal, voorbij de receptioniste, door de sluizen van de hoofdingang, brak ik stilletjes.

Omdat ik me realiseerde dat ik met grote passen de toekomst tegemoet liep, terwijl pake juist de omgekeerde weg bewandelde.

Omdat ik wist dat de afstand tussen ons zo onafwendbaar groter en groter werd.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct