Sport is niet alleen te verheerlijken

‘Kunnen we weer genieten van sport zoals we dat gewend waren?’ Foto: LUCA BETTINI

Het was een zomer zonder topsport, maar inmiddels wordt er weer gevoetbald en gefietst. Sport met een lelijke rafelrand, al willen we die liever niet zien.

Met het veiligstellen van de profcompetities in het voetbal en het afwerken van een aangepaste wielerkalender, is het alsof de sport zich weer nestelt in onze levens. En wat hebben we dat gemist deze zomer! In de luwte tussen de eerste en de tweede golf waanden we ons veilig, maar moesten we het stellen zonder EK voetbal, de grote wielerrondes en de Olympische Spelen. Voor velen een gemis, voor anderen een verademing.

De troost die sport in vele levens biedt, verdient een nadere analyse. Want: is het nu weer als vanouds? Mogen we weer genieten van sport, zoals we dat gewend waren? Anders gezegd: heeft de coronacrisis iets veranderd aan onze beleving van sport of zullen we maar zo snel mogelijk deze zwarte bladzijde omslaan en overgaan tot de ‘orde van de sport’?

Parels en rafels

In mijn proefschrift Kritiek van de Sportieve Rede , op 24 september succesvol verdedigd aan de Vrije Universiteit Brussel, staat precies deze handelingsverlegenheid centraal. Hoe gaan we om met de twee gezichten van de moderne sport: haar positieve, ‘anabole’ maatschappelijke dimensie, versus de doorgeschoten, ‘katabole’ keerzijde van de sport. De parels en de rafels. Corona brengt ons meer dan ooit in verlegenheid over dit duale karakter van sport.

We hunkeren naar de magie en vervulling die sport kunnen brengen, of we nou als deelnemer, coach of bestuurder actief zijn, dan wel als supporter, sponsor of journalist. En tegelijkertijd deinzen we terug voor de schaduwkanten: het klatergoud, het geweld, het racisme, de doping, het misbruik en andere grensoverschrijdende praktijken. Daar willen we ons liefst van distantiëren, terwijl deze dimensie zich juist in de coronacrisis op een nieuwe manier heeft gemanifesteerd.

Denk aan het coûte que coûte vasthouden aan evenementen, zoals het EK en de Spelen, terwijl de wereld in brand stond. Maar ook het turndossier, het racismedebat en de bonusuitkering binnen Ajax zijn er actuele illustraties van.

Deze excessieve dimensie komt niet ‘van buiten’, maar maakt helaas ook deel uit van de sport. Zij is het resultaat van het uitsluitingsproces waar de moderne sport ook op gebaseerd is. Hoezo, sport is toch juist zo inclusief? Tot op zekere hoogte; waar mensen (lichamen) zich verenigen, vindt automatisch ook uitsluiting plaats van krachten en dus van mensen en activiteiten die niet gewenst zijn binnen de sport.

Spel versus strijd

Dit is een subtiel proces dat de moderne sport vanaf haar geboorte eind negentiende eeuw gestuwd heeft. Hoewel Pierre de Coubertin met de creatie van de moderne Olympische Spelen juist het lichaam van de strenge victoriaanse moraal wilde bevrijden, gebeurde exact het tegenovergestelde. Via spelregels en tuchtrecht werden in de sport de vitale, animale krachten van het lichaam steeds meer beteugeld, waardoor zij als het ware ‘ondergronds’ zijn gegaan.

Een voorbeeld: overtredingen in het voetbal werden eerst nog gezien als ongewilde ‘spelfouten’, maar vanaf 1890 kwamen er diverse mogelijkheden om opzettelijke overtredingen af te straffen. Excessieve fysieke inzet mocht niet meer; een deel van onze lichamelijkheid werd daarmee gediskwalificeerd binnen het domein waarin het lichaam centraal staat. Institutionalisering en professionalisering versnelden deze steriliserende beweging. Kortom, uitsluitende repressie staat aan de wieg van de figuurlijke beerput van de moderne sport.

Ook het denken over sport, de verhalen die we elkaar vertellen over wat sport eigenlijk is, draagt hier onwillekeurig aan bij. Ik onderscheid drie dominante paradigma’s (definities) binnen ons denken over sport: sport als spel versus sport als strijd, geflankeerd door het ‘geheime’ verhaal over sport als seks. Al naar gelang de situatie wordt gekozen voor één van deze drie paradigma’s.

Door sport vooral als een onschuldig, bevrijdend spel neer te zetten, ontkennen we de wilde, destructieve krachten die sport ook bepalen. En door met name het strijdkarakter van sport te benadrukken, zoals met de uitspraak ‘voetbal is oorlog’, negeren we juist weer de verbindende, helende krachten van sport. Hier dwars op werkt een veelal onbewuste verlangensdynamiek die de moderne sport beïnvloedt: we zeggen dan dat sport onze onderdrukte libidineuze driften juist helpt verteren. Beter zo dan op het slagveld!

Vanuit deze inzichten herhaal ik mijn vraag van het begin: kunnen we weer genieten van sport, zoals we dat gewend waren? Heeft de coronacrisis hier iets in veranderd? Ik meen van wel; alles wat doorschiet naar te veel, te commercieel, te megalomaan, te steriel, is ‘dankzij corona’ toe aan herijking. Dus ook de sport, zeker daar waar sprake is van ontsporing en excessen. De dubbele moraal van ‘bobo’s’ accepteren we niet meer.

Het is de hoogste tijd om het beest in de bek te kijken.

Sandra Meeuwsen is sportfilosoof en ex-(tri)atleet, gepromoveerd aan de Vrije Universiteit Brussel op het proefschrift Kritiek van de Sportieve Rede.