Wieberen Elverdink.

Spillebeen

Wieberen Elverdink. FOTO MARCEL J. DE JONG

Ineens was het herfst.

Nou ja, ineens. De alom overhangende spinnenwebben, de pasteltinten in de lucht, het parfum van klam mos dat de atmosfeer vulde: het was er vorige week allemaal al, maar toen wilden we er nog niet aan. Noemden we dat nog ontkennend ‘nazomer’.

Het was druk in het bos, constateerde ik, rammelend over de smalle fietspaadjes van het nabijgelegen landgoederendorp. Wapperende zomerjassen, zacht licht door geel verschietende beukenlanen; ja, de herfst was prima te pruimen, zolang het maar de milde variant betrof.

Voorbij een slinger in het pad werd mijn belangstelling gewekt door een cirkel van mensen, die eendrachtig naar iets op de grond staarden. Ik kneep in de remmen. Wat was hier aan de hand?

Een mevrouw schuifelde met haar rollator uit de kring, mijn kant op. Ze wees met haar duim over haar tengere schouder, naar achteren.

,,Staat er eentje, hoor.’’

Ik fronste mijn wenkbrauwen.

,,Rood-met-witte-stippen!’’

Inderdaad: door het woud aan benen ving ik een glimp van een gave, verse zwam, de hoed felrood en volmaakt rond.

,,Snapt u dat nou?’’, vervolgde de dame. ,,Het bos staat vól met paddenstoelen, bruine, grijze, gele, en daar kijkt niemand naar om. Maar dan is er zo’n vliegenzwam en daar gaan we dan met z’n allen omheen staan.’’

Dat was zo. De vliegenzwam sprak tot de verbeelding. Daarvan maakte je foto’s. Daarmee wilde je gezien worden. Wie poseerde er op Instagram nou bij een aardappelboleet of kleverige knolamaniet, duimpje omhoog, #mushroom, #autumn?

De status van de rode, gestippelde schimmel als hét symbool van de herfst wordt kinderen al generaties lang ingewreven, ging de mevrouw met de rollator verder. ,,Als kind leerde ik er op de kleuterschool al een liedje over. Met dat kaboutertje, zó aardig. Kom, hoe ging dat ook alweer?’’

,,Spillebeen?’’, opperde ik en prompt begon ze te neuriën.

Met ‘dat kaboutertje, zó aardig’ heb ik weinig op. Spillebeen lijkt in het eerste couplet van het oude volksliedje (weetje: in België heet hij Pinnemuts) een beweeglijk, maar onschuldig ventje, een olijkerd die met allebei de beentjes hoepla in de lucht onbedoeld slachtoffer wordt van zijn eigen goede luim.

Maar uit de veel minder bekende tweede strofe destilleren we een ander beeld: Maar kabouter Spillebeen / ging toch door met wippen / Op die grote paddenstoel / rood met witte stippen / Daar kwam vader Langbaard aan / en die zei toen luid / ‘Moet dat stoeltje ook kapot? / Spillebeen schei uit!’

Aha! Hier schemert de ware aard van Spillebeen door: hij is geen onhandige spring-in-het-veld, maar een notoire recidivist, die zich willens en wetens aan zwamdalisme te buiten gaat.

Hoe oud het versje over de vernielzuchtige kabouter is, weet ik niet, noch is mij bekend wie het ooit schreef. Maar diegene moet als vroege hoeder van herfstbodempareltjes worden gezien en diens lied als oud pamflet tegen natuurdelicten, hoe klein ook.

Het werd kouder. ,,Ik ga maar eens op huis aan’’, huiverde de vrouw, en daar ging ze, haar hulpmiddel vervaarlijk laverend tussen de paddenstoelen, tot ze zonder brokken op het pad was beland en haar neuriën verwaaide.

Die wind, dat was Langbaard natuurlijk, die diep in het bos een zucht van verlichting slaakte.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct