Steeds als ik langs het huis wandelde, keek ik door de luxaflex naar binnen en wuifde. Aan de andere kant van het raam gingen dan tegelijkertijd twee handen omhoog, van twee mensen, dicht bij elkaar aan de keukentafel. Een vertrouwd, bijna ontroerend beeld: twee personen samengesmolten tot één silhouet.

Tot een paar weken geleden.

Ineens zwaaide nog maar één hand terug.

De helft van het silhouet was verdwenen.

Het kon thuis écht niet meer zo, zegt ze flink, terwijl ze een tinnen dienblad met koffie en plakken Indische cake op de tuintafel zet. Hij was in alles afhankelijk geworden, van de thuishulp, maar vooral van haar, en dat zou alleen maar verergeren. Doormodderen was in niemands belang.

Toch voelde ze diep van binnen meer pijn dan opluchting, toen onlangs de telefoon ging en een stem vertelde dat er in eigen dorp een plekje voor haar man vrijkwam in het verzorgingshuis voor dementerenden. Op korte termijn zelfs: over anderhalve week kon hij er al terecht. Vanaf dat moment telde ze de dagen en de uren af dat hij nog met haar thuis was. Alles kreeg een zware lading.

Even pauzeert ze.

,,De lêste snein seach ik him sitten yn syn eigen stoel en tocht ik: leave jonge, dit is ús lêste snein tegearre yn dit hûs.’’

Het huis waarvan hij altijd zei dat ze hem er nooit uit zouden krijgen. Hún plek. Hij had het na hun huwelijk, bijna 55 jaar geleden, immers met zijn eigen handen voor hen uit gele baksteen opgetrokken. Hij was timmerman en een goeie ook. Nauwkeurig. Toegewijd. ,,Se woene him allegear graach yn it wurk ha.’’

Een jaar of negen geleden merkte ze dat er iets in hem veranderde. Dat klusjes hem moeilijker afgingen. Dat hij onhandiger werd. Ze zag hoe hij bij het bestraten van een hoekje in hun eigen tuin de tegels er ondersteboven had ingelegd. Niks voor hem, de perfectionist. Toen ze hem ermee confronteerde, was hij in zijn wiek geschoten.

,,Fersinsto dy dan noait?’’, had hij haar toegebeten. Zij had het erbij gelaten, maar wist diep van binnen: dit is niet goed.

Het was inderdaad niet goed.

Er brak een nieuw hoofdstuk van hun leven aan dat in toenemende mate draaide om zorgen en schikken. Om vasthouden en loslaten. Om terugplooien in een steeds kleinere wereld, tot die niet veel meer omvatte dan ,,syn hoekje’’ in huis: zijn stoel, de tafel met de krant.

Uren aaneen brachten ze daar door, met het zicht op de straat, de wereld, op de passanten die naar binnen zwaaiden en zonder het zich te realiseren daarmee voor afleiding, steun, ja, zelfs klein geluk zorgden. ,,Ik ha sjans’’, grinnikte hij dan soms, veel ondeugender dan hij anders altijd was.

Ze lacht.

Elke dag gaat ze even bij hem langs. Ze leest van zijn gezicht hoeveel ze nog voor hem betekent. De krant laat ze steevast voor hem achter, al weet ze dat die onaangeroerd zal blijven. ,,Mar dy heart by him.’’

Ik bedank voor de koffie en spreek af dat ik zal blijven zwaaien naar haar, de overgebleven helft van het schaduwbeeld achter het venster.

Dan, beslist: ,,Ik bin hjir thús miskien wol allinnich oer. Mar iensum binne jo op dit plak noait.’’

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct