Elisabeth Post.

Schaamte

Elisabeth Post. FOTO ANNET EVELEENS

De oma naar wie ik ben vernoemd, Elisabeth Adema-Kooistra (1906 – 1990), werd geboren in Rinsumageast. Ze was de dochter van een skûtsjeschipper, die de kost verdiende met de handel in aardappelen en brandstof. Het gezin, vader moeder en negen kinderen, woonde in een huisje aan de Rjochthússtrjitte. Het skûtsje lag er voor de wal.

Zoals veel jonge mensen, wilde oma wat van de wereld zien. Weg uit het kleine en bekrompen dorp waar iedereen elkaar kende en ook alles van elkaar wist. Dat kan beklemmend voelen als je jong bent. Geld voor een studie was er niet, maar een baan bij een gegoede familie was haar uitweg naar de grote stad.

Ze ging aan de slag als dienstmeisje bij een Joodse familie in Leeuwarden. Die verschaften haar kost en inwoning. Als ze vrij was, pendelde ze op de fiets heen en weer naar haar ouders in Rinsumageast.

Langzaam maar zeker keerde ze zich af van het platteland en het dorp waar ze opgroeide. Ze praatte nooit over haar jeugd. Misschien herinnerde het haar te veel aan armoede en verdriet. Ze was bijvoorbeeld vernoemd naar een zusje dat in de smalle gracht voor het huis was verdronken – mijn overgrootmoeder ontdekte te laat dat het kind te water was geraakt en zag alleen de klompjes drijven. Maar misschien schaamde mijn oma zich ook wel voor haar komaf.

'Als we haar plaagden en beppe noemden, werd ze fel'

Bij haar werkgever heeft mijn grootmoeder hoogst waarschijnlijk het Liwwadders opgepikt. Veel Joodse families die destijds in Leeuwarden woonden spraken het stadse Fries. Wij, de kleinkinderen, vroegen haar wel eens Fries te spreken, maar dat weigerde ze. Het was een lieve oma, maar als we haar plaagden en beppe noemden, werd ze fel. ,,Kienders, hou daar met op!’’

In Burgum dachten de kinderen op de lagere school dat wij Hollanders waren. We spraken thuis geen Fries. Want, zo redeneerden onze ouders, met het Nederlands kun je je overal redden. Het Fries zouden we wel op straat oppikken, evenals het Liwwadders – maar dat werd niet als een taal beschouwd. Toch communiceerden we onderling in drie talen: Fries, Liwwadders en Nederlands. En dat was goed.

Mijn vader sprak er schande van toen in 1989 Tytsjerksteradiel als eerste gemeente Friese plaatsnamen invoerde. ,,Hoe krije se dat yn ’e holle”, mopperde hij. Voortaan zou niemand Burgum kunnen vinden. Dat is een misvatting gebleken.

De provincie steekt de komende jaren miljoenen euro’s in het behouden van de Friese taal. Jammer dat het Fries die financiële impuls nodig heeft om te overleven, maar mooi dat het gebeurt. Je kunnen uitdrukken in de taal van je hart is een groot goed.

Voor het spreken van Fries zou niemand zich ooit moeten schamen. Dus laten we voortaan in huiselijke kring gewoon Fries spreken. Het Nederlands pikken we wel op van de straat.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct