Wieberen Elverdink.

Putvogel

Wieberen Elverdink. FOTO LC

Het was de regenpijp.

We keken naar de verweerde buis die langs de flank van de oude hoeve naar beneden liep, de grond in, onder het kasseienplaveisel van het binnenplaatsje door, naar de put.

In die afvoer, een metertje onder een roestig rooster: een mus.

Een jong exemplaar, op sommige plekken piepte nog licht kuikendons door zijn verenkleed, maar oud genoeg om te kunnen vliegen. Zo nu en dan kwam het vogeltje omhoog, vrrrt vrrrt , naar de spijlen, naar het licht, om na een paar wiekslagen weer op de stoffige, betonnen bodem te landen.

,,We moeten iets doen’’, zei mijn oudste, 11 jaar en vogelgek, later wordt hij ornitholoog. Verbeten begon hij aan het bruine metaal te sjorren.

Kansloos.

Mooie boel, dacht ik.

We waren nog maar twee dagen weg van huis, de rust van het heuvelland zou ons goed doen, een weekje op een negentiende-eeuwse carréboerderij, waar wij het met stokrozen omgeven appartement naast de hooizolder betrokken.

En nu voltrok zich pal voor de deur, letterlijk onder onze ogen, een piepkleine tragedie.

,,Laat zitten, jongen, niks aan te doen’’, prentte ik mijn oudste in.

Op een boerderij waar het wemelde van leven was de dood nooit ver weg. Kort voor onze aankomst nog, had een koe net twee kalveren geworpen. Terwijl de ene helft van de tweeling nog warm en plakkerig van de geboorte in het stro rustte, lag de andere aan het begin van de oprijlaan, stijf, onder een oranje dekzeil.

Zonde. Niet om treuren. Hoorde erbij.

Met deze mus was dat lastiger. Hier manifesteerde de dood zich niet als een voldongen feit. Het vogeltje zat nog vol leven, ach kijk, daar veerde het weer op, maar we wisten allemaal dat het grif zou bezwijken. Aan uitputting, aan honger of aan duisternis – konden dieren doodgaan aan lichtgebrek?

In de uren die volgden probeerden we de onfortuinlijke putvogel te vergeten. We lazen, ezelden, aten, en hielpen de boer als die zijn glanzende, staartzwiepende vee vers gras toeschoof. Maar tussen de bedrijven door kon de 11-jarige het niet laten om zo nu en dan toch even naar de afvoer te lopen. Dan joeg hij de boerderijkat weg, die verlekkerd om het rooster cirkelde, of sprenkelde hij kruimels ontbijtkoek tussen de spijlen.

Die nacht regende het pijpenstelen boven de hoeve en toen we de volgende ochtend opnieuw bij de put gingen kijken, lag het musje op de bodem, roerloos in een plas, de vleugels gesperd.

Ik zocht de ogen van mijn oudste, waarin ik verdriet verwachtte, maar opluchting vond.

,,Zo’’, zei hij. ,,Dan kan nu de vakantie echt beginnen.’’

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct