Anne-Goaitske Breteler.

Provinciaaltje

Anne-Goaitske Breteler. FOTO LC

Een afspraak met de uitgeverij in Amsterdam combineerde ik dit keer met een weekendje weg.

Vanwege corona was ik al maanden niet in de stad geweest, dus het leek mijn vriend Durk en mij goed om er dan maar meteen iets langer te blijven. We boekten twee tijdsloten voor musea op donderdag en vrijdag, regelden de overnachtingen en planden alvast de borrel in op vrijdagavond met mijn twee vriendinnen van de studie. Mede door de nasleep van corona, die de stadse spontaniteit behoorlijk beperkt, betrapte ik mij zelfs in de voorbereidingen al op een haastigheid die ik lang kwijt geweest ben.

We troffen het erg met onze slaapplaats: een appartement vlak bij het Centraal Station, geheel tot onze beschikking. Met mijn oude studentenblik in het achterhoofd waande ik mij in echt walhalla, een penthouse. Ik was gewend aan de zeecontainer in Oost, de antikraakbejaardenwoning vlak bij Artis en het flatje in Osdorp. Maar terwijl we daar zo op het balkon over de gehele stad uitkeken, met de woonboten en de Schreierstoren voor ons, keek Durk kritisch en zei: ‘Ik soe hjir dus echt noait wenje wolle hé. Dan soe ik hielendal gek wurde’. Erg romantisch misschien niet, maar ergens snap ik hem wel. Hoe langer ik uit de stad ben, des te moeilijker vind ik het om me weer in die snelle levensstijl te wurmen.

In de eerste weken dat ik op kamers ging, vond ik dat veel makkelijker. Alles was immers nieuw. Natuurlijk belandde ik eerst spookrijdend op het fietspad, maar nadat iemand ,, hé trut!’’ naar me schreeuwde, leerde ik snel om me aan te passen aan de regels van de stad. Ik zag de missers als een soort onontkoombare ontgroening van mijn leven in Amsterdam. Onderweg groette ik niemand meer op straat, zoals ik van thuis uit anders gewend was. Eigenlijk registreerde ik überhaupt veel minder van mijn omgeving. Ik lette niet meer op al die toeristen, scooters, taxi’s. Een soort modus waardoor ik mezelf beschermde tegen de stroom van continue prikkels, waar ik anders – in Durks woorden – gek van zou worden.

Geert Mak schrijft in Hoe God verdween uit Jorwerd ook over die eeuwenlange verschillen tussen inwoners van stad en platteland. Hij benoemt de cultuurbreuk die zich vooral eind twintigste eeuw in Nederland manifesteerde als ,,een scheiding tussen de stedelingen en boeren, tussen consumenten en overlevers’’. In hetzelfde hoofdstuk haalt hij een Amerikaanse onderzoeker aan die stelt dat de verwerving van rijkdom en macht voor de steden een hoge prijs heeft. Namelijk in ,,vervreemding, normloosheid en persoonlijk isolement’’.

De modus van het noodzakelijk isolement, om de impulsen uit de stad enigszins uit de hersenen te kunnen weren, is mij weer vreemd geworden. Maar misschien is dat niet per se slecht. Want terwijl we op zaterdagochtend samen langs het IJ liepen, te brak om gehaast te kunnen zijn, registreerde ik wel de rijkdom van de stad waar ik even heb mogen wonen. We passeerden een bordje met een tekst van Simon Carmiggelt: ,,Amsterdam is een heerlijke stad om te verlaten en áán te komen’’.

agbreteler@gmail.com

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct