Opinie: Domela, de teleurgestelde dominee

Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919).

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, wiens honderdste sterfdag wordt herdacht, verliet in 1879 gedesillusioneerd de kerk. Dit gestolde instituut hield ‘zijn’ Jezus gevangen, aldus de doopsgezinde dominee Pieter Post in een preek in Heerenveen.

Ik wil het houden bij een ernstig teleurgestelde dominee Ferdinand Domela Nieuwenhuis, op de drempel van zijn afscheid van de kerk naar voorman van de arbeidersbeweging. Waarom verliet hij de kerk? De kerk had naar zijn idee een roeping te vervullen die tot doel heeft de mens vooruit te helpen. De kerk had de gouden opdracht om voor een toekomst te zorgen die beter moest zijn dan het heden.

Daarom zou de kerk altijd voorop moeten lopen en als een klokkenluider alarm slaan waar zij zonden en misbruik signaleerde. Tegenwoordig denken we bij misbruik al heel gauw aan het seksuele schandaal in de kerk, maar destijds werd daaronder onder meer het alcoholmisbruik verstaan en de verplichte winkelnering die de arme arbeiders onder druk zette om hun waren bij hun bazen (‘uitzuigers’ volgens Domela) te kopen tegen veel hogere prijzen dan elders.

Dat raakt nog aan een situatie in de jaren zeventig. Een slager verweet zijn zus eens dat zij de borrelhapjes bij haar eigen slager had gekocht in plaats van bij hem. Hij was daarover zo verbolgen geraakt dat hij de volgende ochtend woedend opbelde met de mededeling dat hij niet langer meer een broer van haar kon zijn. Toen werd ook duidelijk waarom hij niet van de worst had genomen. Zat die verplichte winkelnering ook bij hem nog in het bloed? Je kunt door dit voorbeeld aanvoelen hoe dit de menselijke verhoudingen op scherp kon zetten.

Domela heeft zich voor de afschaffing van de gedwongen winkelnering hard gemaakt. Maar hij was van mening dat de kerk dat als geheel had moeten doen, zij miste daarin haar roeping. Zij had een voortrekker moeten zijn die voor de arbeiders opkwam. Zij nam de nood daardoor niet ernstig genoeg. Tenzij je lid was van een gemeente, ja dan kon je als arbeider iets ontvangen uit de armenkas, anders niet. Ook dat uitsluiten van de behoeftige mens stemde naar zijn idee niet overeen met de sociale bedoeling van Jezus. De kerk was zich gaan gedragen als de Leviet uit de Barmhartige Samaritaan die om het slachtoffer heen loopt. Maar de kerk zou een andere wereld moeten vertegenwoordigen, een rijk dat niet van deze wereld is, maar dat wel te realiseren zou zijn. En daar zag hij weinig van terug.

We moeten hierbij bedenken dat Domela leefde in een tijd waarin de kerk sowieso onder druk stond. Er waren verscheidene stromingen die bezwaar aantekenden tegen een al te strakke geloofsleer waar alle aandacht naar uitging, ten koste van mens en maatschappij. Wel kinderen dopen, maar geen aandacht voor de honderden kinderen die stierven door gebrek aan voedsel, gezonde lucht en slechte verzorging? Dat kon niet bestaan! De dominee Nieuwenhuis voelde zich steeds meer verwant met een Jezus die het mens-zijn met de mensen benadrukte tegenover de Christus van de kerkelijke leer.

Domela kreeg een afkeer van de kerkelijke Christus, maar niet van de Jezus als zaaier. Hij zag het als zijn opdracht om via zijn optreden te zaaien en af te wachten. Af te wachten in die zin dat het hem om een maatschappij ging die niet van bovenaf werd geregeerd, maar die zich vanuit de basis ontwikkelde. Hij verwierp in die zin alle hiërarchische verhoudingen waar de een boven de ander staat. Elk mens zou bevrijd moeten zijn van het programma dat de ander hem dicteert.

Dat hij dan als een ‘Ferlosser’ werd omschreven voelde misschien wel als een eerbetoon, maar dat was tegelijk te veel eer wegens zijn visie op de mens die zichzelf dient te verlossen van het onrecht dat hem overkomt. Hij was een voorstander van een totale anarchie, wat dat eenvoudige beeld van de zaaier goed illustreert. Zo wilde hij dat de kanaalgravers en de land- en veenarbeiders voor hun eigen menselijk recht opkwamen.

Het is goed mogelijk dat u zich als doopsgezinden herkent in de wijze waarop Domela zich ontwikkelde. Ook de doopsgezinden van zijn tijd voelden zich met zijn Jezusbeeld verwant. Zij namen daardoor een eigen, maar niet altijd gewaardeerde plaats in tussen alle andere kerkelijke instituties. Geen wonder dat Domela ook doopsgezinde vrienden binnen zijn kring had. De Harlinger doopsgezinde predikant, in wiens Vermaning hij zijn Vredebond sloot. En de Amsterdammer Klaas Ris, de molenaarsknecht die op de barricade stond als voorvechter van het algemeen kies- en stemrecht.

Maar een overstap naar de doopsgezinden zat er bij Domela niet in, omdat hij alle kerken beschouwde als gestolde instituten waar ‘zijn’ Jezus in gevangen zat, en waar hij helemaal vrij van wilde zijn. Ook al moet hij verwantschap met de vervolgingen van de revolutionaire hervormingsgezinde dopers in de zestiende eeuw hebben gevoeld; en met hun radicale stap naar een Bijbelse Jezus die midden tussen de mensen stond.

Deze kerkdienst is een kleine bijdrage aan Domela’s gedenkjaar. Maar het is moeilijk om tot een conclusie te komen wat hij voor de kerken van vandaag nog te zeggen heeft. Of toch niet? Natuurlijk zijn wij honderd jaar na zijn dood verder. De maatschappij en de kerken zijn veranderd. Wij zijn meer gaan inzien wat het betekent om als gemeenschappen bij te dragen aan plaatselijke noden als voedselbanken en vluchtelingenwerk, maar ook aan internationale projecten die veelal in het teken staan van armoedebestrijding, steun aan de emancipatie van vrouwen, en van het opkomen voor de rechten van de lhtb+-gemeenschap ook al lopen de vrijzinnige en orthodoxe kerken op dat punt nogal uiteen.

Verder laat een landelijk onderzoek zien dat de kerken in ons land de meeste vrijwilligers leveren. En dan niet te vergeten het kerkasiel dat recentelijk in Den Haag plaatsvond. En wat te denken van die opmerkelijke uitspraak van wijlen bisschop Muskens destijds, dat het geoorloofd is om een brood te stelen als je niets en niemand meer hebt?

Misschien inspireert Domela wel hierdoor, dat hij de kerken opnieuw laat nadenken of ze nog partij kiezen voor de kwetsbaren onder ons. En of ze dat dan doen omwille van die Jezus die zelf met zijn poten in de modder heeft gestaan en standhield. Jezus heeft hij met zijn kerkverlating niet losgelaten. Op zijn bureau in het museum in Heerenveen staat nog een replica van de ‘Witte Christus’ van de Deense beeldhouwer Berthel Thorvaldsen, een cadeau van zijn eerste vrouw dat de opstanding symboliseert, en dat ook ons vandaag nog voor de vraag plaatst in hoeverre wij ons met de wereldse machten verbinden.

Pieter Post is predikant van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Heerenveen en Tjalleberd. Dit is een gedeelte van de herdenkingspreek die hij 8 september in Heerenveen hield.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Domela