Laat Nederland weer wat burgerlijker zijn

Cambuursupporters negeerden verboden en oproepen. FOTO CAMJO MEDIA

De in Leeuwarden geboren dichter Jan Slauerhoff had een gegronde hekel aan de nette Nederlandse burgerij. ‘In Nederland,’ zo schreef hij in een gedicht met die titel, ‘wil ik niet blijven. Ik zou dichtgroeien en verstijven. Het gaat mij daar te kalm, te deftig. Men spreekt er langzaam , wordt nooit heftig’.

Dat was zijn ergernis in de jaren dertig van de vorige eeuw. De rusteloze Slauerhoff zou nu waarschijnlijk beter aan zijn trekken komen. Nederland lijkt bijna permanent opgewonden. Het publieke debat wordt gevoerd met stemverheffing. Op de sociale media gaat het eerder ruig dan kalm toe. Wie zich daar waagt met een redelijk, genuanceerd betoog, krijgt bakken modder over zich heen. Nederlanders willen ‘worden gehoord’ en dat eisen ze op hoge toon.

Nederland leek de eerste coronagolf nog rustig en eensgezind te verwerken. We schikten ons in het ongemak van de opgelegde beperkingen. Van die stemming is negen maanden later weinig meer over. Winkelpersoneel en werkers in de zorg hebben vaker last van agressieve klanten. Elk weekend moet de politie optreden tegen feestgangers die lak hebben aan het verbod op groepsvorming.

Tegen alle verboden in

De dwazen die nog altijd ontkennen dat er iets met een kwaadaardig virus zou zijn, roeren zich steeds heftiger. Mondkapjes verplicht in publieke ruimten? Nou dat zullen we nog wel eens zien. Amateurvirologen weten immers wel dat die kapjes helemaal niet werken en zelfs schadelijk voor de hersens kunnen zijn.

De overheid hoopt dat het zonder vuurwerk bij de jaarwisseling wat rustiger zal zijn voor de politie, de brandweer en bij de dokterswacht en eerste hulp in ziekenhuizen. De ‘ware liefhebbers’ hebben er geen boodschap aan en rijden even naar België, Duitsland of nog verder om bakken illegaal vuurwerk in te slaan, het liefst van het zwaarste kaliber.

De overlast die we kennen van de nieuwjaarsnacht is wat vervroegd. In Urk begonnen jongeren in november al rotzooi te trappen. Politie en brandweer hadden er de handen vol aan. Burgemeester Oebele Brouwer van Achtkarspelen heeft een noodverordening nodig om lastpakken in Twijzelerheide onder de duim te houden. Cambuursupporters vonden het passend hun clubliefde te beleven met massale opkomst en zwaar vuurwerk, tegen alle oproepen en verboden in.

Nederlandse volksaard

In dezelfde tijd waarin Slauerhoff zijn toorn over de gezapigheid hier zo mooi verwoordde, schreef de grote historicus Johan Huizinga (1872-1945) een veel geprezen essay over de Nederlandse volksaard. De Nederlander is, zo stelde hij vast, ‘burgerlijk in elke zin van het woord’.

Anders dan de dichter ergerde de historicus zich daar niet aan. In die burgerlijkheid zag Huizinga onder meer de behoefte aan rust en regelmaat. Daardoor waren Nederlanders veel minder vatbaar voor politiek extremisme. In Duitsland en Italië hadden volksmenners de macht veroverd met steun van opgezweepte massa’s. Dat zag hij in Nederland niet gebeuren.

In de woelige jaren zestig gebruikte de aanstormende generatie die de wereld wel eens radicaal zou veranderen ‘burgerlijk’ als scheldwoord. Burgerlijk, dat waren de mensen die alles bij het oude willen ouden. Die vasthielden aan de oude gezagsverhoudingen waarin iedereen, bazen en knechten, docenten en leerlingen, mannen en vrouwen, hun plek nog kenden.

Met de toevoeging ‘in elke zin’ maakte Huizinga duidelijk dat je aan burgerlijk verschillende betekenissen kunt geven. Het mag dus ook staan voor fatsoenlijke omgangsvormen. Voor discussiëren met argumenten en op basis van feiten. En voor het besef dat er zoiets is als het algemeen belang en dat we ons daarom aan regels houden waar we het zelf niet mee eens zijn. Wat meer van dat soort burgerlijkheid zou Nederland bepaald niet slechter maken.

Rimmer Mulder, oud-hoofdredacteur Leeuwarder Courant .