Krekt oars

Anne-Goaitske Breteler. FOTO LC

Sibbel leefde in de late negentiende eeuw in Dokkum. Ze woonde in het spinhuis van de stad en werd door de gemeente ingehuurd voor ‘strjitwjudzen’. In die hoedanigheid zien we haar op een foto. Zittend aan de gracht, naast haar klompen ligt een verse bult onkruid. Ze zal een jaar of zestig zijn geweest, zonder gebit, maar met een brede ingevallen grijns.

In een verzameling bijnamen van opvallende Dokkumers rond die tijd vinden we de hare ook terug. Ze stond bekend als ‘Sibbel geiteknibbel’. Er is niet letterlijk geschreven over haar geestelijke gesteldheid, maar toch wordt door de informatie duidelijk dat Sibbel iemand was waar met andere ogen tegenaan gekeken werd.

Het klinkt waarschijnlijk cru dat ik mijn eigen geest gezond weet te houden tijdens de quarantaine door het bestuderen van de mentale eigenaardigheden van anderen. Toch kan ik echt stellen dat mijn onderzoek naar het Friese verleden van geestesziekte veel inspiratie oplevert in deze stille tijd. Ik ben wekelijks aan het spitten in boeken en archieven om anekdotes en verhalen te vinden die iets zeggen over onze verhouding tot de afwijkende mens. De kast in mijn woonkamer bevat inmiddels tal aan bijzondere kopieën van documenten uit verschillende eeuwen. Zo ook die over Sibbel.

Twee jaar geleden begon ik met een masterscriptie over het Psychiatrisch Ziekenhuis Franeker. Door interviews en bronnenonderzoek kon ik een tijdlijn schetsen vanaf de oprichting in 1851 tot aan nu. Vanuit die verzamelplaats voor geestelijk ongezonde mensen probeer ik nu de provincie in te trekken. Niet iedereen ging naar Franeker, dus wat gebeurde er in de Friese dorpen en steden zelf? En wat is überhaupt de grens tussen ‘krekt oars’ of ‘gek’? Lastig is dat onderscheid zeker, want het vertonen van afwijkend gedrag hoefde niet direct te betekenen dat er sprake was van een psychisch probleem. Bovendien veranderden onze ideeën van geestesziektes ook voortdurend. Als iemand in de middeleeuwen bijvoorbeeld een nachtmerrie had, dan wees dat op demonenwerk en kon de lijder gezien worden als ‘krankzinnige’. Dat zou betekenen dat wij nu allemaal tot die categorie zouden behoren.

Het ongrijpbare van de geest en de irrationele uitspattingen die het kan veroorzaken, leveren een taboe op. Het was – en is – niet gemakkelijk om te praten over persoonlijk geestelijk ongemak. Vandaar dat de ambtelijke notities vanuit de provinciale staten of gemeentes nog enigszins te herleiden zijn, maar persoonlijke ervaringen met mentale bijzonderheden bleven veelal onbeschreven. Juist daarom ben ik zo benieuwd wat het oplevert om dat wél te onderzoeken. Ik zou willen zeggen dat ik op zoek ben naar verhalen van vroeger over ‘dorpsgekken’ of over mensen die met geestelijke ongezondheid te maken hebben (gehad), maar eigenlijk stigmatiseren die benamingen al direct. Op dit moment in mijn onderzoek is alle input welkom en daarom hoop ik op bijdragen die in de breedste zin iets laten zien van de Friese omgang met afwijkend gedrag. Kleine verhalen zoals die van Sibbel, want samen vormen die een grote geschiedenis.

agbreteler@gmail.com