Vorige week, het was al kinderbedtijd geweest, hoorde ik boven gestommel. Geschuif met zware bakken op de slaapkamer van de middelste, gegraai, gerinkel, het rollen van iets hards over het laminaat.

Ik veerde op. Vertrouwde geluiden. Het was de lente, die daarboven klonk.

Het is alsof het in de lucht hangt. Alsof ze allemaal tegelijkertijd gestuurd worden door een onzichtbare agenda. Maar elk vroeg voorjaar, zodra de eerste kieviten hun eieren leggen en de vroege heesters uitbotten, trekken de kinderen in ons dorp met tingelende jaszakken, uitpuilende etuis en rammelende huzarensalade-emmertjes naar school.

Knikkertijd.

Die goeie ouwe knikkers, die verzameling bonte glazen parels, rammelend over de stoep als lentemuziek

Zomaar, van de ene op de andere dag. Jaar na jaar. Generatie na generatie. Een fascinerende traditie.

En dat in een speelgoedwereld die zo vaak drijft op snelle, schreeuwerige modegrillen. Natuurlijk, we ontkwamen er de afgelopen jaren niet aan, aan die vluchtige oprispingen van goedkope kinderrages. De loom-elastiekjes, die je bij honderden tegelijk in slecht afsluitbare doosjes kocht en die bij matig knoopwerk kringen trokken in je huid. De squishy’s: chemische kneedmeuk, vermomd als vrucht of smiley. Of de laatste loot aan de rommelboom: maak-je-eigen-bruisbal, een knutselset die ik niemand aanraad, omdat je vloer maanden na dato nog steeds sissend tot leven komt zodra je er thee over morst.

Maar zo snel al die producten de kinderharten veroverden en het laatste zakgeld uit hun spaarpotjes klopten, zo vlug verdwenen ze ook weer van de speelpleinen en kinderkamers.

Wat altijd bleef: die goeie ouwe knikkers, die verzameling bonte glazen parels, rammelend over de stoep als lentemuziek.

Gelukkig maar.

Wij knikkeren hier trouwens niet in kuiltjes. Onze plaatselijke spelvorm heet ‘opzetten’ of ‘pikken’. Het principe daarvan is eenvoudig: de opzetter plaatst een grote knikker ( bakkert ) in de gleuf tussen twee tegels. Om die trofee te winnen moeten anderen, de pikkers, hem van een afstandje zien te raken met gewone knikkers, stuiters genaamd. Hoe mooier, groter of schaarser de bakkert , des te meer stoeptegels de pikkers afstand moeten nemen.

Daaromheen hangt een systeem van ongeschreven regels en voorwaarden, bijvoorbeeld over het recht van terugpik, of wat er moet gebeuren als de stuiter niet rechtstreeks, maar via een obstakel de bakkert treft.

Zo hebben kinderen op het plein in de loop van de decennia een minisamenleving geschapen die drijft op de wetten van het knikkerkapitalisme. Winst maken, stuiters verdienen, de mooiste bakkerts bemachtigen; daar lijkt het vooral om te gaan.

Het dwingt knikkeraars voortdurend risico’s te taxeren, investeringen te wegen. Hoeveel is mij die ene bakkert waard? Hoeveel stuiters ben ik bereid er aan te vergooien? Wanneer neem ik mijn verlies?

Maar ook: in hoeverre gun ik de ander wat? Stel ik de minder trefzekere sloeber die op zijn laatste stuiters teert bijvoorbeeld voor om een paar stoeptegels dichterbij te komen? Versoepel ik de regels ten gunste van de ander? Is blut écht blut?

Op het knikkerplein moeten kinderen vaak voor het eerst laveren tussen hebzucht en generositeit, tussen hart en verstand, tussen roekeloosheid en tact en tussen egoïsme en compassie.

Misschien was ik daarom zo opgetogen, vorige week, toen ik de handen van mijn kroost weer door de bak met knikkers hoorde gaan.

Daar rinkelden levenslessen.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct