Het drama van de snoekbaars

Het kannibalisme onder eerstejaars snoekbaarzen in beeld. In de maag van de vissen uit februari/maart zijn jonkies uit mei/juni te vinden. FOTO EVEREN DE VRIES

De kansen om een snoekbaars te vangen worden steeds kleiner. Jonge vissen krijgen geen kans door kannibalisme, aalscholvers én de oprukkende snoek. Binnenvisser Everen de Vries deelt zijn zorg bij de start van het sportvisseizoen.

Twee jaar geleden maakte de Kleine Commissie van Hengelsport Friesland mij er op attent dat snoekbaars jaarlijks twee paaiperiodes heeft. De eerste valt in februari/maart als de zon in kracht begint toe te nemen, de tweede in mei/juni.

Rond eind juli is het kroost van de eerste periode 8 tot 10 centimeter lang en hebben deze jongelingen zich in 99 procent van de gecontroleerde gevallen aan een pasgeborene van rond mei/juni te goed gedaan. Snoekbaarsjes van de tweede ronde zijn kennelijk krachtvoer voor de eerstgeborenen.

Dat dit kannibalisme ook onder oudere snoekbaarzen speelt, werd (achteraf) duidelijk bij de Friese beheersvisserij tussen 1989 en 1994. Die was bedoeld om de brasemstand - veel te groot en in slechte conditie - te beteugelen.

Uit de vangstgegevens van de nettenvisserij door beroepsvissers bleek dat het bestand snoekbaars van 2 kilo en zwaarder zeer groot was. Dat riep de vraag op waarom deze vissen het brasembestand niet in toom hielden. Het antwoord ligt bij het kannibalisme.

Loslaten of stikken

Dit drama voltrekt zich in de winter, als de snoekbaarzen van de Friese meren zich op de diepste plekken terugtrekken. De grote ruimen vrijwel alle eerstejaars soortgenoten op en een deel van wat er nog over is van het tweedejaars bestand (en ze laten de brasems met rust). Juist die opgroeiende snoekbaars van 8 tot 50 centimeter moet het brasembestand in balans houden.

De snoekbaarzen die vervolgens de eerste vier jaar overleven, wegen anderhalve kilo en paaien voor het eerst. Ze worden allemaal stokoud want vijanden hebben ze niet meer, ook niet onder soortgenoten.

Ook voor de aalscholver zijn ze veilig. Die gooit met gemak een 1-ponds snoekbaars omhoog en schrokt die naar binnen, maar met zwaardere exemplaren maakt de schrokker slagzij en is het loslaten of stikken. Het aandeel in de predatie door aalscholvers is groter geworden door de open winters. Ze weten feilloos de diepe plekken te vinden waar de snoekbaars zich ophoudt. Waar deze vogels voorheen met ijsvorming naar het zuiden trokken en eind februari terugkeerden, broeden ze nu al in de sneeuwbuien van februari.

Eldorado

Gezien het enorme bestand aan grote snoekbaars in 1989 is het vreemd dat hengelaars toen niet meer van die grote snoekbaars vingen. Het zou kunnen dat deze overlevers al zoveel meegemaakt hebben dat ze maar zelden in het aas van de sportvisser trappen, maar de voorkeur van snoekbaars voor een maaltje van hun eigen soort zal meespelen. Specialisten onder de sportvissers vangen echt nog wel eens een 14-ponder, maar het hele bestand naar 3-ponders terugbrengen is de afgelopen jaren nooit gebeurd. In dat geval zou de jonge aanwas massaal overleven of overleefd hebben en dat zou zijn opgevallen.

Nu 25 jaar later is er een totaal andere situatie. De eerstejaarslichting snoekbaars wordt nog steeds vrijwel geheel opgeruimd. Maar het steeds helder wordende IJsselmeerwater dat jaarlijks de Friese Meren binnenstroomt, heeft de zaak volledig op z’n kop gezet. Het bestand van de snoek is geëxplodeerd. Snoek is een zichtjager; het water in de Friese Meren was vroeger te dik en dus kwamen snoeken amper voor. Nu zijn de meren voor zichtjagers een eldorado geworden. De snoeken eten brasems waardoor een overvloed aan magere brasems verleden tijd is.

Enige sportvis?

Tot zover is alles oké, de snoek houdt de brasem in bedwang. Maar diezelfde snoek zorgt er ook voor dat de druk op eerste- en tweedejaars snoekbaars verder toeneemt. Begin maart (de paaitijd van de snoek) kun je met de fuik zestig tot zeventig snoeken per week vangen (en weer overboord zetten) variërend van 0,5 tot 30 pond. Een en ander heeft – om een voorbeeld te noemen – tot gevolg dat er nu op de Terkaplester Puollen amper nog een snoekbaars leeft, terwijl er snoek in overvloed rondzwemt.

Als bovengenoemde ontwikkeling doorzet zal snoek de nieuwe – en misschien op termijn wel de enige – sportvis zijn in de Friese Meren.

Everen de Vries is binnenvisser op de Snitser Mar


Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Opinie