Glokaliseerfriezen zijn we allemaal

Graffitikunstenaars schilderen op het NDC-gebouw in Leeuwarden de tekst ‘Well’meet again’. FOTO HOGE NOORDEN/JACOB VAN ESSEN

De wereldwijde corona-uitbraak beheerst op dit moment alles: van het wereldnieuws tot de bewegingsvrijheid in ons dagelijks leven.

Weinigen hielden voor mogelijk hoe snel en hoe drastisch onze wereld zou kunnen veranderen op sociaal, economisch en politiek vlak. Dit geeft een besef van onze kwetsbaarheid. En tegelijk zet deze tijd aan tot herbezinning op allerlei thema’s, het idee dat de toekomstige wereld er niet onvermijdelijk hetzelfde uit hoeft te zien als de oude.

Globalisering is zo’n thema. Ook vóór de pandemie hadden veel mensen het gevoel dat de vorm van globalisering zoals we die nu kennen tegen het einde van haar levenscyclus aan liep. Die vorm van globalisering, gekenmerkt door wereldwijde hypercompetitie, is gebaseerd op een set van internationale afspraken, voornamelijk over de handel. Nationaal beleid over volksgezondheid, het milieu en sociale samenhang werd zodoende grotendeels gereduceerd tot inefficiënte handelsbelemmeringen.

De totale welvaart steeg er gestaag mee, maar keerzijden kwamen er ook. Ook in Fryslân zijn de afgelopen jaren de wrange vruchten van hyperglobalisering op tal van terreinen zichtbaar geworden: op economisch vlak door het achteropraken van plattelandsgebieden, op milieuvlak door de verschraling van de biodiversiteit en op sociaal-cultureel vlak door onder andere het in het defensief duwen van een meer regionaal georiënteerde manier van leven, met maatschappelijke polarisatie als gevolg.

Door de coronacrisis lijken we in zeer korte tijd van een globaliseringsperspectief in een déglobaliseringsperpectief terecht te zijn gekomen. Mondiale stromen van mensen, geld en goederen zijn acuut verminderd, en ook de kijk op internationale afhankelijkheid is veranderd: wie wil er nu nog afhankelijk zijn van andere landen als het gaat over mondkapjes, beademingsapparatuur, of straks een vaccin? Toch zal deze acute nationaliseringsreflex niet lang voortduren, want voor welvaartsgroei na deze crisis is een bepaalde vorm van globalisering toch weer nodig.

De vraag is alleen, welk type globalisering willen we straks? Het toekomstige type zal de uitkomst zijn van internationale afspraken die gemaakt gaan worden als we uit de acute fase van de coronacrisis zijn.

Onze leiders hebben dus iets te kiezen. Terug naar de hyperglobalisering van de afgelopen 25 jaar? China, dat kan doorgaan met het opkopen van failliete bedrijven en landen? Of: een vorm van post-corona-globalisering die niet alléén op handel is gericht, en die de volksgezondheid, het landelijk gebied, het milieu en de onderste helft van de arbeidsmarkt wat minder in het defensief plaatst?

Vergelijkbare vragen spelen dichter bij huis: hoe formuleert Fryslân de beste versie van zichzelf, waarmee het straks uit de crisis wil komen? Deel van het antwoord is om voorbij het onderscheid tussen blokkeerfriezen en innoveerfriezen te denken, want Fryslân is de plek van beide mentaliteiten in één.

Innovatie heeft investeringen en een collectieve stip op de horizon nodig. Maar ook de legitieme onderliggende zorgen over identiteit en manier van leven van de blokkeerfriezen en hun grote groep stille sympathisanten verdienen meer aandacht.

Zo versterkt de kracht van de plaatsgebonden oriëntatie (mien-skip, kaatsen en skûtsjesilen) de uitgestoken hand naar de wereld toe (wereldwijd voorloper in Friese topsectoren, internationalisering hoger onderwijs en onderzoek). Uiteindelijk is iedereen een glokaliseerfries.

Caspar van den Berg is hoogleraar Global and Local Governance aan de RUG/Campus Fryslân.