Extra dimensie bij oproep aan frisisten

‘De ontwikkeling van de Friese taalsituatie ligt jaren voor'. FOTO JILMER POSTMA

De dichter Adriaan Roland Holst noemde Simon Vestdijk ooit een man ‘die sneller schrijft dan God kan lezen’. Hoewel Marc van Oostendorp ook in deze categorie thuishoort, blijkt er ruimte voor een interview met hem ( LC 28 november), naar aanleiding van een stuk van Van Oostendorp op de website neerlandistiek.nl .

Dat stuk is een oproep aan de frisistiek en ook het LC -interview staat in het teken van een aansporing om met de frisistiek nu eens even flink van de toren te blazen.

Lees ook PREMIUM | Wees niet provinciaals met aanpak Fries

Hieraan wordt echter een nieuwe dimensie toegevoegd, waardoor heel wat meer beoefenaren van de geesteswetenschappen zich aangesproken moeten voelen. Van Oostendorp (werkzaam in Amsterdam en Nijmegen) incluis, al valt hem allerminst te verwijten dat hij zich terugtrekt op zijn eigen specialismen. Met enkele zinsneden maakt hij duidelijk dat de taalsituatie in Fryslân van belang is voor een ieder die zich interesseert voor de taalsituatie in heel Nederland en Vlaanderen, voor de neerlandistiek, voor sociologen. En voor het Nederlands.

,,Ik zie de provincie als één groot taallaboratorium dat veel verder strekt dan alleen Friesland. De volkomen vanzelfsprekende tweetaligheid is bijvoorbeeld zo’n interessant punt, waar Nederland met het opkomende Engels veel aan kan hebben.’’ Daarmee zeg je het eigenlijk al: je plaatst de bestudering van het Fries tegen de achtergrond van de veranderende situatie in Nederland en Vlaanderen. Of omgekeerd: je vergelijkt de bewegingen die zich voltrekken in het Nederlandstalig gebied met de historische ontwikkelingen in Fryslân.

Grote wereldtaal

Waar eeuwen geleden Friezen in de steden de behoefte voelden om de taal te spreken van het grotere en rijkere Holland, zo happig is nu menige Nederlander op kansen om de grote wereldtaal te spreken. Waar zich in Friese steden een variant van het Nederlands ontwikkelde – de ooit elitaire taal die de ongelukkige naam Stadsfries heeft gekregen – zo zien we ook een Nederlandse variant van het Engels van de grond komen.

We zien door de eeuwen heen een steeds grotere invloed van het Nederlands op het Fries, qua vocabulaire maar ook qua grammatica, met als recent dieptepunt de aanpassing van de werkwoordelijke eindgroep (‘dat we net kinne wachtsje’). Zo zien we ook een vloed van Engelse woorden het Nederlands binnendringen. Het gaat erom hoe het verdergaat en dan is het interessant en verrassend hoe massaal de behoefte is om de kennis van het Engels te tonen en te gebruiken, te pas en te onpas. Dat is een onderzoeksthema voor het gehele Nederlandstalige gebied.

Een beetje bijsturen

Met opzet gebruikte ik zo-even het woord ‘dieptepunt’, wat een kleur geeft aan deze ontwikkelingen die door mij wordt aangebracht en niet door Van Oostendorp. Die constateert alleen maar dat op de bundel De takomst fan it Frysk een provinciaal bord te zien is met de tekst ‘oant sjen’ en zegt dat ook voor ‘wolkom’ gekozen had kunnen worden. Veerkrachtig roept hij op het hoofd niet te laten hangen, maar uit te zien naar de kansen die het Friese taallaboratorium biedt. Dat is prijzenswaardig. Dit is een steun in de rug voor frisisten en aanstaande frisisten.

Moge de boodschap echter ook elders in den lande begrepen worden: de ontwikkeling van de Friese taalsituatie ligt jaren voor op wat Nederland en Vlaanderen te wachten staat. Daar kunnen ook anderen van leren en wellicht onvermijdelijke ontwikkelingen een beetje bijsturen in een gewenste richting, die recht doet aan het grootste culturele erfgoed, de taal. In dit geval het Nederlands.

Peter Nieuwenhuijsen, taalkundige.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Opinie