Wieberen Elverdink.

Etalagebenen

Wieberen Elverdink. FOTO MARCEL J. DE JONG

In de week waarin een groep artsen en wetenschappers in een brandbrief aan het kabinet hamerde op het belang van een gezonde leefstijl, stond misschien wel de ongezondst levende persoon die ik ken bij ons op de stoep.

Syto, onze klusjesman.

De man die minstens zo bandeloos roofbouw op zijn eigen rijk beïnkte lichaam pleegt als de Maya’s destijds op hun land, maar die situatie aanvaardt met een onverwoestbaar humeur, een groot relativeringsvermogen en een dichterlijk filosofische kijk op zijn leven.

Syto zou complete badkamers kunnen beleggen met tegeltjes vol eigen wijsheden.

Een gevleugelde: ,,Fan myn wurk wurde jo no ien kear net ryk, mar bryk.’’

Syto zou complete badkamers kunnen beleggen met tegeltjes vol eigen wijsheden

Kort voor het kitwerk zat ik met hem aan tafel met koffie. Melk en suiker. Hij vertelde over afgelopen zomer, midden in de hittegolf, toen hij zich ter controle in het ziekenhuis had gemeld en aangaf tegen het eind van de werkdagen – zeven per week in zijn geval – last van zijn benen te hebben.

,,Etalagebenen’’, had de specialist vastgesteld.

,,Ik sei: ‘Etalagebenen? Dat sil allegear bêst, fanke, mar dat is apart, want ik kom noait yn etalaazjes’.’’

Daarmee grapte Syto over de ernst heen: de pijn in zijn gestel werd veroorzaakt door vernauwingen in de slagaders van zijn benen.

Hij moest meer gaan bewegen.

Of beter: ánders gaan bewegen. Want met gewurm in kruipruimtes, installatiewerk achter knieschotten en traplopen met emmers voorsmeer kwam hij er niet.

Fysiotherapie zou hem kunnen helpen en Syto toonde zich bereid daar werk van te maken, maar verzandde nog voor hij begon in bureaucratie. Polisvoorwaarden, communicatieperikelen, dichte enveloppen en, toegegeven, zijn verrekte eigen koppigheid.

Dan maar geen fysio.

Dat ontsloeg hem natuurlijk niet van de verplichting om dan maar zonder hulp van anderen zijn beulslijf beter in acht te nemen. En dus zat hij deze week tegenover me aan de keukentafel te dubben over het maken van wandelingen.

Zeer late ommetjes zouden dat worden; tegen de tijd dat hij klaar was met werken om aan een kuier te beginnen, zouden de meeste mensen al onder de wol liggen. ,,Wat moat ik dan’’, hoonde hij. ,,Mei in bûslampe yn ’e bek ús dykje in pear kear op en del?’’

In gedachten zag ik hem met tegenzin sjokken over het doodlopende, nagenoeg onverlichte weggetje waaraan hij woont, een donker, langharig silhouet op etalagebenen.

Syto, na de laatste slok: ,,Wat moat de plysje dêr wol net fan tinke?’’

Hij stond op, stiefelde naar zijn bedrijfsbus om materiaal te halen, maar hield op ons tuinpad nog even halt om een sjekkie te draaien, een verslaving die eigenlijk ook niet meer paste bij zijn medisch dossier.

,,No ja, ferslaving, ferslaving’’, vergoelijkte hij, ,,dat klinkt fuort wer sa swier en negatyf.’’

En toen schudde hij er weer eentje uit zijn mouw, zo’n levenswijsheid die hij de hele dag door achteloos rondstrooit.

,,Ik sis altyd: ik bin net ferslaafd. Ik kin allinnich hiel min sûnder.’’

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct