Wieberen Elverdink.

Djippe Gat

Wieberen Elverdink. FOTO MARCEL J. DE JONG

Voorbij de veeroosters sloot het wolkendek zich, donker en dreigend. Bij elke stap kroop vocht vanuit de drassige grond omhoog in mijn sokken, dwars door de stiksels rond mijn schoenzolen heen.

Een rilling van kou en spanning - en van gelukzaligheid, want precies zó hoorde het te zijn, hier, aan de boorden van het Djippe Gat.

Ik vond een opening in het struweel van els en berk, dat als een groene ring de oude zandwinput omzoomde en overzag het zwarte, peilloze water dat mij als kind zo’n angst inboezemde.

Formeel heette dit de Lippe Gabriëlsplas, vernoemd naar, jawel, Lippe Gabriëls, een man die in weerwil van zijn engelachtige naam bij leven een rauwe veenbaas was. Rond de overgang van de zeventiende naar de achttiende eeuw bezat hij veel grond in het onherbergzame terrein benoorden mijn dorp. Daarvoor bekleedde hij het nobele ambt van schoenmaker, ook mooi. Dat alles leverde hem volgens de overlevering een huis en een vuurplaats aan de vaart op.

En dus, eeuwen na zijn dood, een zandwinput.

Het Djippe Gat klónk niet alleen naargeestig, de verhalen die erover de ronde deden bevestigden dat ook.

In de volksmond staat het veenbaaswater beter bekend als het Djippe Gat, een naam die volstrekt recht doet aan wat het is: een uitgestrekte, volgelopen put in de weidegrond, op sommige plaatsen wel 20 meter diep. Een landschappelijk gevolg van de zandhonger die eind jaren zeventig, tijdens de aanleg van het verderop gelegen klaverblad van Drachten opspeelde.

Djippe Gat, ik vond dat al onheilspellend klinken, toen ik er dertig jaar geleden voor het eerst kwam, jong en bevreesd, maar tegelijkertijd robuust gelaarsd en nieuwgierig naar de hut die een schoolkameraadje uitgerekend pal aan de verboden oever had gebouwd.

Het Djippe Gat klónk niet alleen naargeestig, de verhalen die erover de ronde deden bevestigden dat ook.

Ze zeiden dat er draaikolken in het water zaten.

Ze zeiden dat je weerloos naar die maalstroom werd toegetrokken, zodra je er vanaf de kant eentje zag.

Ze zeiden dat je eenmaal te water nooit meer… nou ja, vul zelf maar in.

Diep van binnen twijfelden we aan het waarheidsgehalte van die volksverhalen, maar we hielden ze graag in stand, leunend op de doorbuigende takken boven het water, spelend met het monster in het duister onder ons – het was nu eenmaal spannender spelen in een levende mythe.

Daar dacht ik aan, toen ik deze week constateerde dat het sinistere dat ooit over de plas hing niet helemaal teloorgegaan was.

Nóg niet.

Want al jaren zijn er plannen om een groot deel van het Djippe Gat met drijvende zonnepanelen te beleggen. Nu heb ik niks tegen schone energie, integendeel, en ik koester niet de illusie dat handelsreizigers in zonnestroom zich iets aantrekken van bezwaren die gebouwd zijn op nostalgie en de hang naar avontuur.

Maar ik zou het voor nieuwe generaties huttenbouwers zonde vinden als de oude obscure geheimen van het Djippe Gat straks verborgen gingen onder een blinkende schil van technologische vooruitgang.

Met een zwaar gemoed en lekke sneakers sopte ik terug naar de weg. Aan dat eerste had Lippe Gabriëls vrijwel zeker geen boodschap gehad.

Maar met mijn schoenen had hij wel raad geweten.

wieberen.elverdink@lc.nl

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct