Met trillende handen trok ik vorige week het ziekenhuisschort aan. Ik was net nog fit naar binnen gewandeld, maar zou er waarschijnlijk met een rolstoel uitgeduwd moeten worden. ,,Niet heel ernstig, maar verstandig om er wat aan te doen”, zo had de cardiologe me een paar weken eerder verteld.

Dus daar lag ik. Terwijl mijn ziekenhuisbed in beweging werd gebracht, nam de nervositeit alsmaar toe. Toen de cardiologe in de behandelkamer dat zag, gebood ze de twee broeders die me volplakten met elektroden, om alvast een oxazepammetje voor me klaar te leggen. Ze praatten over termen als tachycardie, intercardiaal compatibel, refractair en een slow pathway met een fraaie respons.

Het maakte me er allemaal niet geruster op. Maar eindelijk kwam daar een fraaie respons die ik wel begreep. Een van de mannen liep glimlachend naar me toe: ,,Wy fine it altyd wol moai as in pasjint wat stress hat, dêr wurdt de operaasje miskien wat makliker fan. Ha mar gjin noed hear!’’

’Wy fine it altyd wol moai as in pasjint wat stress hat’

De geruststellende woorden van ziekenhuisbroeder maakten dat het beven langzaam wegebde – zonder oxazepam trouwens – en daar kwam de antropologe in mij alweer naar boven. Terwijl er allerlei machines werden opgestart en ingesteld, tot slot het operatiedoek over me heen werd gelegd, belandde ik in een interessante discussie met de Fries sprekende Stellingwerver, zijn collegabroeder die het wel verstond maar het niet sprak en de cardiologe uit het Westen die bij de Afûk een cursus ‘Fries voor zorgpersoneel’ volgde.

Niet heel verrassend dat een groot deel van de patiënten die ze in het MCL voor zich op tafel krijgen, Friessprekend is. Ook niet onbegrijpelijk dat het medisch personeel daarom moeite moet doen om die taal in ieder geval te kunnen verstaan. Maar hoe waardevol het is, dat er op zo’n moment ook gesproken kan worden in de moedertaal van de patiënt, dat heb ik nu aan den lijve ondervonden. Tijdens de operatie, die gelukkig succesvol verliep, dacht ik daar nog even over na.

Momenteel doe ik namelijk een onderzoek voor het Afûk-initiatief: ‘Psychology fan taal’, onderdeel van het Europese LISTEN-project. Daarbij wordt in verschillende landen geprobeerd assertief om te kunnen gaan met minderheidstalen. Voor de Friezen betekent het vooral dat er inzicht wordt gegeven in het eigen taalgebruik en het fenomeen van ‘switchen’. Veel mensen gaan namelijk automatisch over in een andere taal, bijvoorbeeld het Nederlands, zodra er contact is met een niet-Friessprekend persoon.

Aangezien ik door die cursus erg bewust ben geworden van mijn eigen omschakelgedrag, merk ik dat ik in spannende situaties niet goed bij mijn moedertaal blijf. Om maar zoveel mogelijk informatie mee te krijgen, spreek ik dan de taal waarin die informatie mij gegeven wordt.

Toen de cardiologe later die middag nog even bij me keek, kwam ze terug op het onderwerp. Ze gaf toe dat haar hele Afûk-klasje nog geen Fries durfde te spreken, bang voor de reactie. Vanuit mijn ziekenhuisbed kon ik nu háár iets op het hart drukken: ,,Net sa benaud wêze!”

agbreteler@gmail.com

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct