Kort geleden viel mijn oog op twee goed ingepakte knulletjes van een jaar of 8, 9 aan de rand van een ondiepe sloot. Het was koud en helder, de wal lag er bepoedersuikerd bij.

,,Toe maar’’, sprak de ene, vanonder een muts met zo’n wollen bolletje. ,,Toe dan. Doe het dan.’’

De dapperste strekte zijn sneeuwlaars uit tot boven de sloot, waarin zich in één nacht tijd een bescheiden laagje ijs had gevormd. De jongens hadden er bij wijze van eerste verkenning alvast wat takken opgegooid.

Daar raakte zijn voet tastend het bevroren oppervlak. Nu kwam het er op aan. Langzaam helde de waaghals over, steeds verder, tot hij met zijn volle gewicht op het ijs leunde. Triomfantelijk stak hij zijn armen in de lucht.

Ik kende dat overwinningsgevoel, het verrukkelijke besef dat je niet alleen van het ijs, maar ook een beetje van jezelf had gewonnen

Ja! Het hield!

Ik werd overspoeld door plaatsvervangende euforie. Want ik kende dat overwinningsgevoel, het verrukkelijke besef dat je niet alleen van het ijs, maar ook een beetje van jezelf had gewonnen.

In de jaren 80 woonden mijn neven aan de rand van een bos. Daarachter lag wat wij It Twadde Boskje noemden en zodra je ook dáár doorheen was, doemde eindeloos schapenland voor je op. Langgerekte percelen, van elkaar gescheiden door sloten – behalve de boer en zijn beesten had niemand er iets te zoeken.

Die sloten hadden geen naam, op één na, en als ik ‘m hardop uitspreek, bekruipt me opnieuw een zekere spanning, want voor die sloot hadden we ontzag.

De Kettingwyk.

De Kettingwyk was de breedste en diepste van alle watergangen in de wijde omtrek, te breed om overheen te springen en te diep om op laarzen te doorwaden. Er leefden snoeken in, zeiden ze. ’s Zomers was het water gitzwart, in wintertijd lag hij als allerlaatste dicht. Juist dat laatste maakte die sloot onweerstaanbaar.

Zo lag hij voor ons, de Kettingwyk, die snijdende februarizaterdag. Een uit krakende ijspanelen bestaande barrière tussen mij en het terra incognita aan de andere oever. Maar meer dan dat – de scheiding tussen wie durfde en wie niet, tussen meedoen en afhaken, tussen grote mannen en gewone jongens.

,,Kinsto skotske hippe?’’, vroeg mijn neef.

Nee? Wacht, hij deed het voor. Trip, trap, lichtvoetig, in drie, vier passen over de wiegende brokken, naar de overkant.

Een reikende hand.

,,No do.’’

Wat ik me herinner: het hart in mijn keel. Het klotsende water tussen twee scheuren. Het wegzakken van de ijsplaten bij elke afzet. De ineens zo steile oever. Een natte laars.

Daarna, eenmaal aan de andere kant, de schreeuw van pure opluchting. Het glunderende gezicht van mijn neef: goed gedáán!

En vooral: het achteromkijken naar waar ik vandaan kwam, een paar seconden geleden nog maar.

Ik trok mijn laars uit en leegde hem in het bevroren gras. Geen kou, geen spijt, geen angst. Ik was slechts 3 meter verder - maar toch een andere jongen dan daarnet.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct