Anne-Goaitske Breteler.

De dierbare dood

Anne-Goaitske Breteler. FOTO LC

Iedere week sterven er gemiddeld 2900 Nederlanders. De afgelopen veertien dagen waren twee van hen mij goed bekend.

Op maandag stierf de Amstelveense buurman die al jaren zijn oude arbeiderswoning voor aan de weg bij mijn ouderlijk huis opknapte. Zaterdag werd hij begraven. Diezelfde nacht overleed ook Jaap, de dichter en docent uit Rottevalle; de goede vriend van mijn vader. Toen werd het maandag, Allerzielen, de dag waarop de Rooms-Katholieken de doden herdenken. En wij deden mee.

Eerder schreef ik al eens over de psychiater Damiaan Denys, die als een van de velen in zijn vakgebied het probleem aankaart van onze huidige omgang met sterfelijkheid. Het steeds beter kunnen controleren van het leven, gaat ten koste van de acceptatie van de dood. We voelen ons al gauw akelig als we nadenken over het levenseinde: om alles wat we achterlaten, om de mogelijke pijn, om de onvoorstelbaarheid na de dood.

Ik merk dat het afgelopen jaar zo zijn invloed heeft gehad op mijn eigen omgang ermee. Daarom sprak ik laatst met een collega van Denys, over de existentiële vragen die ik heb, met name over de dood, waarop ze antwoordde: ,,Ja, maar je bent nog piepjong, daar hoef je je nog helemaal niet druk over te maken!’’ En dat is best problematisch. Het afraden om met wezenlijke zaken bezig te zijn, om er maar geen ‘last’ van te hebben, is zo’n groot teken van onze tijd.

Want ik wil er juist wel graag last van hebben, zodat ik die angst leer te beteugelen en accepteren. Daar ligt namelijk – volgens de professionals – zoveel troost in verscholen. ,, De eindigheid van het leven is een van de mooiste geschenken ooit’’, zei Denys bijvoorbeeld in een interview. De socioloog Bauman legde al voor mijn geboorte uit waarom: ,,Without mortality, no history, no culture – no humanity.’’ Of zoals mijn moeder het iets makkelijker vertaalde: ,,De rykdom dy’t je helje út ferlies, dat levert hiele moaie dingen op: betsjutting.’’

Eigenlijk bestaan we dus bij de gratie van het niet meer zullen bestaan

Eigenlijk bestaan we dus bij de gratie van het niet meer zullen bestaan. We proberen zoveel mogelijk zin te geven aan de wereld, zo lang we die nog kunnen bewandelen. De kunsten komen voort uit datzelfde idee; betekenis geven aan iets dat ervoor nog niet bestond, om daarmee meteen een creatieve onsterfelijkheid te creëren. Legaten voor als we zelf verdwijnen.

Jaap deed dat ook, als dichter en als docent. Nu helpen mijn ouders bij de voorbereiding van zijn begrafenis, het ritueel om een eigen Allerziel te herdenken. Tegelijkertijd roept zo’n gedwongen confrontatie met de dood dan weer op tot de vraag van de eigen sterfelijkheid. En het antwoord laat zich bij hen zien in de rijkdom van het verlies: ze verzorgen muziek, voordracht en theater tijdens de dienst. Hopelijk heb ik nog lang de tijd om te leren hoe ik mij verhoud tot de dood en het leven. Totdat ik me neer kan leggen bij de laatste strofe uit Jaap zijn gedicht: ,,Wat oerbliuwt: azem en úttocht’’.

Reageren? agbreteler@gmail.com

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct