,,Hier komt dus de keuken’’, zei ik, mijn armen geestdriftig gespreid, ,,met hierzo de eettafel. En daar, in die hoek, daar gaan we de tv ophangen met het schilderij van de ijsvogel ernaast. En kijk eens rechts: in dat gedeelte kunnen we mooi een opbergkast voor al onze spellet…’’

Ik zweeg.

Terwijl mijn stem na-echode in het betonnen karkas dat over een paar maanden ons huis wordt, zag ik hoe de 11-jarige met hangende schouders en rode ogen neerzeeg op een pak isolatiemateriaal. Wat kregen we nu?

Ik nam naast haar plaats en sloeg een arm om haar heen. ,,Maar het wordt straks juist hartstikke mooi’’, probeerde ik. ,,Waarom ben je dan ineens zo verdrietig?’’

,,Nou, gewoon’’, snikte ze en ze sloeg misprijzend haar armen over elkaar. ,,Dáárom.’’

,,‘Daarom’ is niks’’, reageerde ik, botter dan ik het bedoelde, alsof ik een beargumenteerde verklaring voor haar plotse verdriet had verwacht, maar het was een reflex.

Want wat wist ik er nou helemaal van?

De eerste keer dat ík verhuisde was ik al in de twintig. Net een baan bij de krant, een vriendin van wie ik hoopte dat ze mijn vrouw wilde worden en een groeiend verlangen naar dat wat ik al die jaren juist zo had weggelachen: huisje-boompje-beestje.

Meer dan twintig jaar had het blijkbaar gevergd voor de tijd eindelijk rijp was om de sprong te durven maken, uit het vertrouwde ouderlijke nest, uit het door heit getimmerde bed met tien jaargangen Donald Ducks eronder. Uit de slaapkamer waarin ik had gedroomd, gespeeld, gepiekerd, gehuild, geleerd – ja, gelééfd.

Opgewonden stapten we (op een Bevrijdingsdag, nota bene) over de drempel van ons eigen flatje, klein, maar groot genoeg voor twee mensen, op de negende etage. Het panorama over het land was adembenemend, het uitzicht over onze toekomst zo mogelijk nog mooier.

Ik weet nog hoe ik de weken erna zocht naar een gevoel van heimwee, want die pijn hóórde je toch te voelen na een verhuizing? Maar het was er niet.

Misschien, dacht ik later, kwam dat omdat het een verhuizing uit eigen beweging betrof. Ik hóefde niet weg, niemand dwong me mijn biezen te pakken, behalve ikzelf.

Hoe anders was dat nu, in het geval van de 11-jarige, grienend op die isolatieplaten. Ze veegde haar tranen af en keek de ruimte rond, die voorlopig nog meer weg had van een parkeergarage dan van een thuis. Het rook hier naar specie en pur, in plaats van wasverzachter en Glam Girl, haar eerste meidenparfum. De muren waren grauw, in plaats van roze. En er hingen geen paardenposters aan de wanden, maar stabilisatiestangen.

En wat ze het ergste vond: in onze nieuwe straat woonde J. niet, haar buurmeisje, klasgenootje en grote vriendin, bij wie ze de deur platliep en met wie ze een vriendschapskettinkje deelde: een in partjes opgedeeld hartjeshangertje als blinkend verbond.

Ik wilde zeggen dat we in hetzelfde dorp bleven wonen en dat J. immers langs kon komen wanneer ze wilde. Ik wilde inbrengen dat ze zelf de kleuren van haar nieuwe kamer mocht uitzoeken. Dat al haar spulletjes gewoon zouden meeverhuizen. Maar ik voelde dat het geen zin had.

,,‘Daarom’ is wél wat’’, snotterde ze.

Ze had gelijk.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct