Wieberen Elverdink.

Column Wieberen: Monument

Wieberen Elverdink. FOTO LC

Je kon er de klok op gelijkzetten.

Ergens halverwege het tweede bakje, als iemand in de kring naar buiten keek en opmerkte dat het zulk lekker fietsweer was, zou Pake Oebele het woord nemen. Hij zou nonchalant kuchen, de rug van zijn hand langs zijn forse reukorgaan strijken en terloops opmerken dat hij gisteren nog 20 kilometer had gefietst, de jas had bijna los gekund.

Hij zou ons vertellen waarnaartoe, maar wij, familieleden rond een met gebakschaaltjes gevulde tafel, konden Pakes fietsbestemming zonder die toelichting wel raden.

Trimunt.

Altijd Trimunt.

Ik zie ‘m voor me, Pake op zijn rijwiel, in trage, gelijkmatige omwentelingen op weg naar 3 mei 1943.

Door Frieschepalen, waar hij zijn jeugd doorbracht, de Scheiding voorbij, nog maar een zandpad destijds, en dan in noordoostelijke richting naar De Haar. Uitbottende, dikke eiken. Hagelwit wasgoed, wapperend boven het gras.

Zestien jaar was Pake Oebele. Hij kende het boerenbuurtje op de grens van Friesland en Groningen als zijn broekzak, fietste er veel en vaak - ik zie ‘m bij elke schuur z’n hand opsteken, opgestroopte hemdsmouwen, golvende kuif.

Was het toeval, dat hij hier die kwade derde meidag van 1943 net níet op straat was? Dat hij zodoende ontkwam aan de overvalwagen van de Sicherheitsdienst ? Aan de schreeuwende soldaten, die op de Haarsterweg lukraak mannen en jongens van erven plukten, woest, omdat onbekenden het hadden gewaagd om even verderop een weg met boomstammen te versperren?

Zestien buurtgenoten van wie hij de namen wist, de gezichten kende, de stemmen hoorde, die nu bijeen gesnauwd in een SD-voertuig zaten, angstig en nog onwetend van het lot dat hen weldra, na een kort ritje naar het radarstation bij Trimunt, wachtte.

Een kil bevel. Fluitende kogels. En daarna niks meer.

Pake had één van hen kunnen zijn, zo realiseerde hij zich

Pake had één van hen kunnen zijn, zo realiseerde hij zich, een mensenleven lang. Verkeerde plaats, verkeerde tijd – maar hij net níet.

De Zestien van Trimunt zou hij nooit vergeten. Als het weer het toeliet, fietste hij naar het monument, een zuil met namen van rood natuursteen, omringd door eiken – voor elk slachtoffer een. Dan betrachtte hij een moment stilte, schudde hij zijn grijze hoofd en peddelde verder.

En als de gelegenheid zich voordeed, zou hij erover vertellen, hij kón niet anders. Op verjaardagsfeestjes passeerde Trimunt op één of andere manier altijd de revue, wij pakesizzers wisten niet beter.

Dan zag je zijn ogen afdwalen, je voelde hem wegzinken in de tijd en dan deed hij ons die trieste geschiedenis nogmaals uit de doeken.

Maar dan zou Beppe hem onderbreken, met een schaal vol worst en kaas uit de voorraadkelder op de arm. ,,Hâld op oer dy oarloch, Oebele’’, zou ze zeggen, ,,wat kin dy bern dat no skele? Sjoch jonges, krij mar wat lekkers. Jim moatte genôch ite. It is feest.’’

En dan zou Pake terugzakken in zijn stoel en Beppe goedig gelijk geven. Het wás feest.

Dinsdag mocht mijn zoon, Pakes achterkleinkind, een krans leggen bij het monument voor de gevallenen in ons dorp.

Het was sober, mooi en stil.

En terwijl mijn jongen daar zo plechtig voor het bloemstuk stond, dacht ik aan Pake Oebele. Het heette hier dan geen Trimunt, maar hij zou het vast prachtig hebben gevonden.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct