Column Wieberen: Afsluitdijk, waarom toch man?

Ik peddel aan het begin van de Afsluitdijk, nog vóór de Lorentzsluizen en ik stel mezelf deze vraag. Piet Paulusma waarschuwde net voor windstoten tot windkracht 9, onderweg hiernaartoe hoosde het nog, maar meneer moet zo nodig op de fiets die pokkedijk over.

Ik peddel aan het begin van de Afsluitdijk, nog vóór de Lorentzsluizen en ik stel mezelf deze vraag. Piet Paulusma waarschuwde net voor windstoten tot windkracht 9, onderweg hiernaartoe hoosde het nog, maar meneer moet zo nodig op de fiets die pokkedijk over.

Waarom?

Het ding is: nu kan het. Of beter: nu kan het nóg. Vanwege werk aan de dijk sluit Rijkswaterstaat het fietspad tussen Friesland en Noord-Holland per 1 april voor drie jaar af. Ik overzag de dagen tot die sluitingsdatum en stelde vast dat het niet anders kon.

Ik koos deze dag niet. Deze dag koos mij.

Heb ik iets met de Afsluitdijk? Ik moet een jaar of zes zijn geweest dat ik met heit en mem in onze staalblauwe 2CV op vakantie ging naar Schoorl. ,,Wy geane aanst oer in dyk dwers troch de see’’, zei heit vanachter het stuur en ik verheugde me stilletjes op een expeditie door een reusachtig aquarium, met veel vissen en koraal.

In werkelijkheid bleek het beloofde tracé een sof; de huilende Citroën was ruim dertig kilometer lang ingeklemd tussen vangrails en een grastalud. Sindsdien zijn we gebrouilleerd, de Afsluitdijk en ik.

Maar toch. Het ongekende geweeklaag van amateurwielrenners, nadat duidelijk was dat Rijkswaterstaat geen 1-aprilgrap maakte, wakkerde mijn nieuwsgierigheid aan. Waarom kennen zij die dijk de cultstatus toe? Wat maakt dit fantasieloze, kale asfaltlint voor wielerfanaten zo populair?

Kornwerderzand ligt nu achter me. Een knik. Nu heb ik de wind vol in de snoet. Snot waait uit mijn neus, tegen mijn kraag. Toch dwing ik mezelf te genieten van die bocht: het is de enige tot aan Den Oever, het verste punt, waarvan ik nu nog slechts kan dromen. Eerst Breezand. Die vage verdikking aan de horizon, is dat het?

Breezand vink ik af. Ik tel de vogelkadavers die ik tegenkom, waarom weet ik niet. Zevenentwintig. Of achtentwintig; deze is door het bederf zo uit elkaar geslagen dat het er ook twee kunnen zijn.

Het lijkt of de wind aantrekt, onderweg naar het beeld van Cornelis Lely, de briljante waterbouwkundige die de afsluiting van de Zuiderzee schetste. Ik kan alleen maar denken aan de dingen die hij niet schetste: bomen. Dikke stammen met volle kronen, die mij iets van luwte hadden kunnen bieden.

Voorbij Lely begint alles pijn te doen. Verhip, mijn tenen slapen. Hoe lang al?

Dit is de fase waarin de fietser in heroïsch wielerproza door een combinatie van allesomvattende vermoeidheid en het repetitieve karakter van de pedaalomwentelingen in een soort trance raakt. Waarin hij als het ware buiten zijn lichaam treedt, opstijgt en dan – verder en verder uitzoomend – de afstand tussen hemzelf en de eindstreep overziet – en daarmee zijn lijden tot behapbare proporties terugbrengt.

Dat laatste ervaar ik niet zo. Toch ben ik ook niet helemaal in het hier en nu. Ik hoor mezelf hardop tegen de zon zeggen dat hij mijn vriend is. ,,Kom terug’’, roep ik naar de wolk waarachter hij zopas verdween. Meteen daarna schaam ik me. Dit is pathetisch.

De laatste hectometerpaaltjes. De Stevinsluizen. De haven van Den Oever en dan rechtsomkeert, met een zalig loeiende zuidwester in de rug.

Dat is de wederdienst van de wind, voor de strijd die ik met hem aanging.

Nee: dat is de beloning van de Afsluitdijk.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement