Wieberen Elverdink.

Braak

Wieberen Elverdink. FOTO MARCEL J. DE JONG

Het was kerst geweest, maar de dagen waren nog steeds donker en we sleepten onszelf achter Netflix vandaan, naar buiten, waar we opklaringen in de lucht meenden de ontwaren – meestal ten onrechte.

,,Kijk’’, zei ik tijdens zo’n wandeling tegen onze 12-jarige. ,,Hier staan we nu.’’ Ik wees naar een foto op mijn telefoon, die ik een tijdje terug op internet was tegengekomen en de moeite van het bewaren waard vond.

Het was een luchtfoto van ons dorp. Een samenklontering van huisjes in een zee van rechthoekige, door donkere elzensingels omrande weideperceeltjes – een gebrandschilderd venster in honderd tinten groen.

Het beeld was gemaakt vanuit een vliegtuigje, volgens het onderschrift in de zomer van 1981. De piloot had een mooie dag voor de fotoklus uitgezocht: op de foto werpen schapenwolkjes een zachte schaduw over het coulissenland.

De zomer van 1981 – ik was nog een zuigeling. De zomer waarin mijn ouders hiernaartoe verhuisden en ons dorp voor het leven Ons Dorp werd.

Ik zoomde de telefoon in op de brede waterlossing aan de zuidkant van het dorp, die we zojuist waren overgestoken.

,,Maar dat kan toch niet?’’, zei de puber meewarig, terwijl hij vanonder zijn capuchon om zich heen keek, naar de huizen rondom ons. ,,Op de foto is aan de overkant van de sloot niets te zien. Alleen gras.’’

,,Klopt’’, antwoordde ik. ,,Dat land lag nog braak.’’

Op dat moment strekte het onbebouwde terrein van de foto en van mijn kindertijd zich in gedachten voor me uit. Eindeloze vlakten vol zuring, melkdistel en klaproos, slechts doorkruist door rommelig aangelegde klinkerbanen – de ruwe contouren van een toekomstig stratenplan.

Braakliggende grond was de mooiste grond. De bodem was weliswaar buitgemaakt op de schapen, maar lag daar nog te verwilderen in afwachting van verdere kolonisatie. En bij het uitblijven van bouwactiviteit waren wíj, de dorpskinderen, die kolonisten.

Elke dag trokken we naar het woeste zuiden, voorbij het laatste nieuwbouwhuis, korte broeken boven rubberlaarzen, stokken in de hand, op zoek naar nieuwe plekken om hutten te bouwen, als cowboys naar de frontier .

Braakland was niemandsland. Er heerste een prettige, natuurlijke wetteloosheid. Niemand hield er toezicht, niemand lette op de tijd. We plasten waar we wilden. We knakten struiken, schransten van huis meegepikt snoep. De brutaalsten staken rondslingerend bouwmateriaal in brand. De geur van brandnetels en smeulend piepschuim.

Zo rook braakliggende grond.

Zo rook vrijheid.

Ik borg mijn mobieltje op. De anderen waren me al vooruitgesneld, door een koude regendeken, de nieuwbouwwijk in die al decennialang geen nieuwbouwwijk meer was, maar de oude luchtfoto liet me die avond niet meer los.

Ik dacht aan het jaar dat voor ons lag. Een jaar waarvan de contouren zich al vaag aftekenden, waarvan verwachtingen doorschemerden, maar de grootste delen nog oningevuld waren – en ook dat nog wel even zouden blijven.

Een jaar vol braakliggende tijd die er om schreeuwde verkend te worden.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct