Een van de kaarten die de onderzoekers aantroffen in het Nationaal Archief in Den Haag.

De schipbreuk die het verdwenen West-Vlieland edelstenen, goud, zilver en diamanten bracht

Een van de kaarten die de onderzoekers aantroffen in het Nationaal Archief in Den Haag. Nationaal Archief, Den Haag

Het eens welvarende West-Vlieland werd halverwege de achttiende eeuw door de zee verzwolgen. Een scheepsramp in 1703 bracht goud en diamanten maar kon het dramatische einde niet voorkomen. Aldus Vlielander Jan Houter en historicus Anne Doedens in hun boek ‘ Strandroof. Een tragisch godsgeschenk voor West-Vlieland’ .

Diep van binnen wisten de bewoners het al geruime tijd. Hun dorp, West-Vlieland, zou het ondanks al hun inspanningen niet gaan redden. Dijken om het oprukkende water te weren braken door, aangelegde kwelders liepen onder. Het was vechten tegen de bierkaai. Langzaam maar gestaag kroop de zee steeds iets dichter naar het ooit zo voorname dorpshart.

Stromingen snoepten repen van de duinen af, zware stormen kregen steeds meer vat op de bebouwing. Zo was de kerk in 1694 zijn toren al kwijtgeraakt en de bovenkant van het raadhuis moest uit voorzorg worden afgebroken. Meer en meer huizen raakten verlaten en dichtgetimmerd.

De dorpelingen vertrokken in toenemende mate naar de andere kant van het eiland. Oost-Vlieland, dat pas veel later werd gesticht en lange tijd in de schaduw stond van West-Vlieland, groeide zo uit tot de belangrijkste nederzetting op het eiland. En is dat nog steeds, hoewel het met zo’n elfhonderd inwoners anno 2020 ruimschoots de helft kleiner is dan de westelijke voorganger in de late Middeleeuwen en het begin van de moderne tijd.

Vanaf de zandvlakte op het westelijk deel, de Vliehors, herinnert niets meer aan de tijd van het vroegere dorp, waar welvaart en armoede elkaar net als het tij afwisselden. Graven in het zand levert hier niets op: stenen restanten van het voormalige dorp liggen diep verscholen in de zeebodem, een kilometer verderop.

Vanaf het bordes van het raadhuis hebben de bewoners de zee letterlijk zien oprukken. In de vijftiende eeuw lag de branding vele honderden meters noordwaarts. Twee eeuwen later was daarvan weinig meer over. Reizigers die rond 1695 in het dorp aankwamen, zagen dat West-Vlieland langzaam aan de zee ten prooi viel.

De bewoners die bleven, bekend met het soms ruwe bestaan in een geïsoleerde gemeenschap, wensten zich niet zo maar bij het onvermijdelijke neer te leggen. In herberg De Roode Leeuw werd in 1702 nog besloten om een nieuwe verbindingswal tussen de Wester- en Oosterduinen aan te leggen. Aannemer Jan Hendriksz. Breeroo uit Schoorl nam het werk voor 3960 gulden aan.

Genadeklap

Maar de zee bleef beuken en leek te wachten op het juiste moment om de definitieve genadeklap uit te delen. Vanaf 1714 stroomde het water vrijelijk door de straten. In 1736 gaf een stevige storm de laatste zet, voordat het dorp West-Vlieland voorgoed door de zee werd verzwolgen.

Het ooit zo trotse dorp was in 1703 al geen schim meer van de plek waar commandeurs ter walvisvaart leefden en geld uitgaven, waar de straten belegd waren met dure steen van elders en land op de zee was gewonnen. Er heerste armoede en uitzichtloosheid. De zee, verworden tot een monster dat zijn tentakels steeds begeriger uitstrekte naar West-Vlieland, was tegelijkertijd ook van groot belang voor de bewoners. Met iedere storm spoelde er op het strand wel iets van waarde aan. De strandingen van schepen en het jutten van aangespoelde waren hielden de magen gevuld.

De eilanders toonden bij de scheepsongelukken niet altijd hun meest humane gezicht. Verslagen van de raadsheren van het Hof van Holland (het hoogste rechtsorgaan van het gewest) van diverse strandingen maken duidelijk dat de Vlielanders zich maar weinig bekommerden om de opvarenden of hun schepen. Er werd grof geplunderd en gedreigd, opvarenden moesten zich vaak zelf maar redden. Enige hulp – voedsel of verzorging – werd niet geboden.

Schip en lading zijn voor de eilanders, zo maken de jutters de soms in doodsnood verkerende schipper en bemanning duidelijk. Geldende regels worden met voeten getreden. Iedere buitenstaander die zich daarna nog met de zaak bemoeit, stuit op een muur van stilzwijgen. Dat ondervinden ook de onderzoekers van het Hof die eind 1704 naar Vlieland komen om helderheid te verkrijgen over de gebeurtenissen van 13 en 14 december van het jaar daarvoor.

De storm die in december 1703 over Engeland, de Noordzee en de Republiek Holland raast, blijkt de zwaarste van de achttiende eeuw. Vele honderden schepen vergaan, er vallen duizenden doden. Bij West-Vlieland slaat de Engelse West-Indiëvaarder Mary and Sara stuk op het strand.

Het was aanvankelijk maar een klein bericht in de Amsterdamsche Courant en de Oprechte Haerlemsche Courant. ‘Een Engelse Westindiesvaerder in de storm uyt duyns gedreven, en beneden gaets vervallen, is door dien het volk uyt onkunde op de gronden vast geraekt en aen stukken gestooten en van veele daer op zynde menschen maar weinig gesalveerd’.

Het schip had naar Gibraltar zullen varen en is een dag eerder uit Londen vertrokken. Dat ontdekten Vlielander Jan Houter en historicus Anne Doedens vorig jaar. Uit een brief van Heinrich von Hessen-Darmstadt aan zijn moeder, vorstin Elisabeth Dorothea, en geschreven op 2 januari 1704, blijkt dat de Mary and Sara voor de Engelse kust van zijn ankers is geslagen.

De kapitein, James Ellis, zou naar Frankrijk hebben willen varen om daar te schuilen voor het slechte weer, maar wordt door de aan boord aanwezige huishouding van Heinrichs broer, veldmaarschalk Georg, gedwongen een andere koers te nemen. Zij willen niet in handen vallen van hun Franse tegenstander, waarmee een felle oorlog wordt gevoerd. Mogelijk uit wraak zou Ellis het schip bij Vlieland hebben laten stranden. Aanvankelijk had ook Georg aan boord zullen zijn, maar het slechte weer in Londen verhindert hem op te stappen.

Verblind

Van dit alles hebben de West-Vlielanders geen weet, als zij de Mary and Sara pal voor hun dorp zien stranden. Voor de tientallen doden die aanspoelen hebben ze nauwelijks aandacht. Ze worden letterlijk verblind door de hoeveelheid kostbaarheden die het schip vervoert. Edelstenen, gouden en zilveren voorwerpen en een uiterst opvallende ketting: het Gulden Vlies, voorzien van 38 diamanten. Het is een van de vele eigendommen van de succesvolle krijgsheer Georg von Hessen-Darmstadt. Van zijn huishouding overleeft nagenoeg niemand de ramp.

loading

De eilanders weten zich nauwelijks raad met de onvermoede rijkdom die hen plots in de schoot wordt geworpen. Tientallen inwoners zijn op het strand en jutten wat ze kunnen. Natuurlijk weten ze dat ze hun buit bij schout Herman van den Bergh moeten aanmelden, maar alle betrokkenen weten dat dit niet zal gebeuren. Een klein deel willen ze best afstaan, maar het gros van de spullen drukken ze achterover en verstoppen ze op moeilijk vindbare plekken.

Het is het spel dat de eilanders al eeuwen spelen. En dat net zo hard wordt meegespeeld door de notabelen en wetshandhavers zelf. Ook de dominee en zijn vrouw laten zich niet onbetuigd. De godsdienaar ziet de kas van de kerk met het vertrek van de inwoners steeds leger worden. Ongegeneerd opent hij de schuur bij zijn woning voor mensen die wat spullen willen stallen. De tegenprestatie die ze hiervoor moeten leveren laat zich niet moeilijk raden.

Een Amsterdamse opkoper, Emanuel Aser of Asscher, meldt zich al snel na de stranding op het eiland. Dat is op zich niet verwonderlijk. Al vele jaren is er nauw contact tussen het eiland en Amsterdam; tal van eilanders hebben hier bijtijds hun toevlucht gezocht of aangetrokken door de grote stad en zijn handelsmogelijkheden. Het is aannemelijk dat een groot deel van de buit hier terecht is gekomen.

Bierverkoopster

Er lijkt lange tijd geen haan te kraaien naar de onverkwikkelijke gebeurtenissen in de late decemberdagen van 1703. Dat verandert pas als bierverkoopster Neeltje Andries zich in Den Haag meldt bij het Hof van Holland en vertelt dat haar dorpsgenoten zich op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan fraude. Het hof besluit de zaak grondig aan te pakken. Al in het voorjaar van 1704 zijn door de schout en zijn dienders op het eiland huiszoekingen uitgevoerd om de buit te achterhalen, maar het resultaat viel, naar verwachting, tegen. Daarna lijkt de zaak dood te bloeden. Totdat Neeltje Andries op het toneel verschijnt.

De schrijvers van het boek hebben de ware beweegredenen van de West-Vlielandse niet kunnen achterhalen, maar vermoed wordt dat hier een ruzie met de predikantsvrouw over de buit van de Mary and Sara aan ten grondslag lag. Neeltje Andries noemde bij de raadsheren de namen van diverse eilanders die zich aan de roof schuldig hadden gemaakt.

loading

De onderzoekers van het hof; Benjamin Fagel, Adriaan Pieter d’Hingosa, Wolphert Nobelingh en griffier Joan Thierry, beginnen hun zoektocht in Amsterdam. Aan boord van het blauwe admiraliteitsjacht bespreken zij onderweg de strategie. Ze hopen een deel van de spullen in de hoofdstad terug te vinden, omdat opkoper Asscher die hier waarschijnlijk heeft willen verkopen. Maar de verhoren van de zilver- en goudsmeden in de Warmoesstraat leveren niet veel op. Waarna koers wordt gezet naar Vlieland.

In de Sloot, voor Oost-Vlieland, gaat het blauwe jacht voor anker. Het ruige weer laat het niet toe dat getuigen aan boord kunnen worden gehoord. Men wijkt uit naar een logement in Oost-Vlieland. Maar de onderzoekers weten natuurlijk dat de eilanders hun aanwezigheid niet op prijs stellen. De commissaris van de admiraliteit, de hoogste aanwezige beambte van de wal op Vlieland, weet dat de eilanders buitenstaanders en hun gezagdragers wantrouwen.

Uit voorzorg belooft hij de delegatie hulp van de oorlogsschepen ‘mogte eenige resistentie voorkomen’. Voor de kust van Vlieland ligt doorgaans een flinke oorlogsvloot. Voor het gewest Holland is het eiland strategisch van groot belang. Mogelijk is deze commissaris Maarten van der Wolff. Zijn grafsteen is nog altijd aanwezig in de Nicolaaskerk op het eiland.

Toevallig bevindt opkoper Asscher zich net weer op het eiland. Hij wordt aangehouden en verhoord. De rechters hechten weinig waarde aan zijn bewering dat hij nooit voorwerpen van zilver of goud heeft gekocht of verkocht. In herberg De Roode Leeuw heeft een vrouw hem wel eens een langwerpig, rond voorwerp getoond met, zo telde de opkoper, 36 diamanten.

De vrouw was Tryn Hendriks, meelverkoopster in West-Vlieland. Ze zou, zo blijkt uit de latere verhoren, meer gestolen goederen, onderdelen van het Gulden Vlies, hebben willen verkopen. Daarover verklaart ze zelf in haar verhoor dat ‘de jood heeft niet willen kopen’. Opmerkelijk genoeg is deze schoonzuster van de toenmalige burgemeester Jan Simonse Decker nooit opgepakt.

Uit de tientallen verhoren, die aanvankelijk plaatsvinden in Oost-Vlieland en later zelfs op de plek waar de geruchtmakende zaak zich heeft afgespeeld, worden de rechters niet veel wijzer. Hoewel zij zich terdege hebben voorbereid en weten welke goederen zijn ontvreemd, komen ze nauwelijks dichter bij de waarheid. De eilanders houden hun lippen stijf op elkaar, slechts sporadisch laten zij zich iets ontvallen.

loading

Rookgordijn

Of ze werpen listig een rookgordijn op om de rechters te misleiden. Als ze te zeer in het nauw worden gedreven, wijzen ze al snel met een beschuldigende vinger naar een ander. Voor de onderzoekers is het daarnaast niet eenvoudig allerlei familieverbanden te leggen en de belangen te duiden die de West-Vlielanders allemaal lijken te hebben bij het mislukken van het onderzoek.

En als het moet, schuwen de bewoners niet om elkaar te intimideren. Duidelijk is dat niemand op het eiland er bij gebaat lijkt dat de onderste steen boven wordt gehaald.

Op 13 december rondt de commissie de verhoren af. Veertig eilanders zijn verhoord. Van timmerman tot agent, van naaister tot dominee. De vlot opgeschreven verhoren zijn ondertekend, of van een kruisje voorzien door degene die het schrijven niet machtig is. Met het vertrek van de commissieleden vertrekken ook de drossaard van het Hof en zijn helpers met drie gevangenen: Thijs Willemse Luitjes, Cornelis ‘Man’ Engelse Harmensz en Pieter Onkruydt.

Kleine lieden, die hun aandeel in de strandroof hebben bekend. Maar die, zo moeten de raadsheren direct hebben beseft, beslist niet de enigen waren die zich de vruchten van de zee hebben toegeëigend. Van het Gulden Vlies en veel andere waardevolle goederen is niets teruggevonden.

Unieke kaarten en verslagen

Voor Anne Doedens en Jan Houter (foto) was het doel begin 2019 helder: het vinden van cartografisch materiaal van het zo nog onbeschreven West-Vlieland. Het Nationaal Archief in Den Haag bleek te beschikken over uniek beeldmateriaal, waarvan veruit het meeste niet eerder is gepubliceerd. Daarnaast vonden ze de haastig in klad geschreven verhoren van de strandroof in december 1703, die het dorp tot leven brachten, totdat het in 1736 voorgoed in de zee verdween. Een boek was geboren.

loading

Het is niet de eerste keer dat historicus Doedens en Houter, Vlielander en groot geschiedenisliefhebber, samenwerken. Zo verschenen eerder: Vlieland, een Nederlandse geschiedenis; 1666: Het Vlie brandt; Geschiedenis van de Wadden; De Watergeuzen; Het Rijk Gods op Vlieland .

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct