Archeologen doen onderzoek op de plek waar straks de Hemmen III moet verrijzen.

Zeldzame archeologische vondst: een industrieterpje in Sneek

Archeologen doen onderzoek op de plek waar straks de Hemmen III moet verrijzen. FOTO SALISBURY ARCHEOLOGIE

In het veengebied ten zuiden van Sneek lag tweeduizend jaar geleden een industrieterreintje van metaalsmelters. Archeologen vonden hier een verzameling loodbrokken: een zeldzame vondst voor die tijd.

Het is de ironie van de vooruitgang: toen de ontwikkeling van bedrijvengebied De Hemmen III de afgelopen jaren in zicht kwam, zag de gemeente zich genoodzaakt de bodem aan de zuidkant van de stad te onderzoeken. Juist daar ontdekten medewerkers van Salisbury Archeologie eind 2017 een stokoud industrieterreintje. Hun rapport Lood om oud ijzer verscheen dit jaar.

De opgraving verliep vrij geruisloos, maar dankzij de loodvonsten waren de uitkomsten toch heel waardevol, zegt archeologisch adviseur Yvonne Boonstra van de gemeente Súdwest-Fryslân. ,,Het vermoeden bestond al langer dat er vroeger niet alleen woonterpjes, maar ook industrieterpjes bestonden.’’

En dit lijkt hier dus het geval. De archeologen vonden geen sporen van een boerderij, maar wel van mensen die ambachtswerk uitvoerden. De menselijke activiteit begon aan het einde van de IJzertijd en eindigde in het begin van de Romeinse tijd: het gaat dus om de eerste eeuw voor en de eerste eeuw na Christus.

De vondst vormt een nieuw puzzelstukje in de vroege bewoningshistorie van de Friese venen, waarover vroeger weinig bekend was. Historici en archeologen dachten lange tijd dat de veengebieden vrijwel onbewoond waren. Zij concentreerden zich op de enorme kleiterpen op de kwelders, want daar kwamen bij afgravingen voortdurend vondsten tevoorschijn.

Toen in de jaren vijftig en zestig oude ontginnings- en bewoningssporen in het veen werden aangetroffen bij Sneek, Raerd en Warten, leverde dit dan ook grote verbazing op onder archeologen. Hoe konden die mensen zich in de IJzertijd en Romeinse tijd staande houden in de nattigheid?

Best druk in de eerste eeuw

Later werd duidelijk dat mensen aan het begin van de jaartelling al heel actief waren op het veen. Ze groeven er sloten, wonnen er zout en turf en woonden er zelfs bovenop. Er zijn inmiddels talrijke veenterpjes onderzocht in de strook van het Lage Midden, grofweg van Sneek tot Trynwâlden. Ook een opgraving in Arkum bij Bolsward leverde veel nieuwe kennis op.

Hoewel Sneek geworteld is op een kwelderwal, heeft de stad dus oudere wortels in het omliggende veengebied, zegt Boonstra. ,,Het was hier best druk in de omgeving.’’ Nieuwe onderzoeken hebben veel menselijke bewoning aan het licht gebracht. Dit gebeurde bij stadsuitbreidingen in Harinxmaland en De Loten aan de noordzijde, terwijl ook aan de zuidzijde veel ontdekkingen zijn gedaan.

Toen de aanleg van Hemmen III in zicht kwam, liet de gemeente hier ook een vooronderzoek uitvoeren. De lap grond nabij Folsgare telt zo’n tien vondstenlocaties, waaronder enkele terpjes. Daar liet de gemeente wel booronderzoeken doen, maar meestal geen opgravingen uitvoeren. De meeste van deze plekken worden namelijk niet aangetast door de aanleg van het bedrijventerrein. Hier komen groenzones of plantsoenen.

Het nu aangetroffen industrieterpje ligt op een plek die wel risico loopt. Een boring door de Grontmij (Sweco) leverde aanwijzingen op voor een veenterpje, waarna bureau Salisbury opdracht kreeg voor een opgraving in de koude decemberdagen van 2017. De opgravingsfoto’s tonen zelfs sneeuw.

Vermoedelijk gebruikten boeren deze grond in de Late IJzertijd eerst voor landbouw, waarna ze er een kleine verhoging van plaggen aanlegden. Die werd later met een pakket klei verhoogd tot een terpje. Daar bovenop was later een haard, zo blijkt uit verbrandingsresten, die de archeologen hier aantroffen. Er werden enkele gave overblijfselen van potten gevonden, maar vooral veel verbrokkelde stukjes eenvoudig aardewerk. Bij de haardplaats lagen ook verbrande stukjes van een gevlochten wand.

Dan zou je kunnen denken aan een haardvuur in huis, maar van een woning of boerderij is geen spoor gevonden. Wel doken hier twaalf stukken lood op. Dat was destijds een bijzonder metaal in Friesland: het gebeurt zelden dat meerdere loden voorwerpen op één locatie uit het begin van de jaartelling worden gevonden. ,,Lood vormt een zeldzame grondstof gedurende deze fase’’, schrijven de archeologen.

loading

loading

Prima plek voor industrie

De archeologen spreken dan ook van ,,een ambachtelijke productielocatie voor aardewerk en metaal.’’ Het was daarvoor een prima plek, want turf als brandstof was in de omgeving volop aanwezig, schrijven ze. Bij de Romeinen was lood een veelgebruikt metaal. Hoe giftig dit was, beseften ze niet. In het Romeinse rijk werden dan ook vele waterleidingen, drinkbekers en andere gebruiksvoorwerpen van lood gemaakt.

In Noord-Europa viel lood echter moeilijk te krijgen. Vanuit Friesland gezien waren de loodmijnen in Zuid-Frankrijk waarschijnlijk de dichtstbijgelegen leverancier. Van daar of nog verder moest het metaal dus naar hier komen, vermoedelijk via de Romeinen, die in deze periode een groot deel van de Nederlandse kust in handen kregen. Hoe die handel precies verliep, is moeilijk na te gaan.

Slechts een van de loden stukken is herkenbaar als voorwerp: het lijkt een spinklosje of -gewichtje, dat werd gebruikt om wol te verwerken tot garen voor kledingproductie. Verder gaat het om onherkenbare stukken afvallood, die waarschijnlijk werden gebruikt voor het gieten van nieuwe voorwerpen. Een aardewerkpotje is mogelijk als smeltkroes gebruikt.

Daarbij moet bedacht worden dat lood soms werd vermengd met brons, schrijven de archeologen. Brons bestaat normaal gesproken uit tin en koper, maar in die tijd werd er soms wel 20 procent lood doorheen gemengd. De Friese bevolking kende veel bronzen voorwerpen, bijvoorbeeld mantelspelden (fibula’s).

Mogelijk woonden de metaalbewerkers op een van de terpjes in de omgeving. Archeologen opperen overigens ook dat de bewoning in dit gebied seizoensgebonden was. Dit kan betekenen dat ze zo’n industrieterpje alleen in de zomer gebruikten. De onderzoekers troffen er één waterput uit de Romeinse tijd aan.

Touw en botten

Op de vindplek werd een aantal botten aangetroffen, vermoedelijk van vee dat hier geslacht is. Mogelijk was het dus niet alleen een industriegebied voor de metaalindustrie, maar ook voor de slacht. De archeologen stuitten verder op stukjes touw. Die zijn waarschijnlijk gemaakt van zilte rus, een rietachtig kruid, dat ook nu nog veel voorkomt langs de Friese Waddenkust.

In de loop van de eerste eeuw na Christus werd het gebied te nat en zijn de gebruikers vertrokken. Dat is ook op veel andere plekken in de omgeving te zien. Het veen lag in eerste instantie hoger dan de omgeving, maar door de menselijke bewerking zakte de bodem, waardoor dit gebied bijzonder kwetsbaar werd voor overstromingen. Een zeespiegelstijging kan dit proces hebben versneld. Veel veenterpen zijn dan ook slechts tientallen jaren bewoond of gebruikt geweest.

Eeuwenlang bleef dit terpje verlaten, maar in de zevende eeuw waren mensen hier opnieuw actief, zo blijkt uit de vondst van twee andere waterputten met houten wanden, die instorting moesten voorkomen. In de ene put zitten interessante houtstukken die mogelijk eerder zijn gebruikt in een huis, schip of ander bouwwerk.

,,De aangetroffen houten delen wijzen op een ronde put met een bodem bestaande houten elementen waarbij pen- en gatverbindingen zijn toegepast’’, schrijven de archeologen. Een plank hieruit is via jaarringenonderzoek (dendrologie) gedateerd. Het hout moet tussen 671 - 689 na Christus zijn gekapt, dus in de vroege middeleeuwen.

loading

loading

Bedekt met klei

De andere vroegmiddeleeuwse put was voorzien van een houten ton. ,,De duigen hiervan zijn gemaakt van het hout van de zilverspar. De hoepels bestaan uit een combinatie van hazelaarhout en wilgenbast.’’ Aangezien zilversparren zeker niet in deze omgeving groeiden, ligt het voor de hand dat het vat uit een ander deel van Europa hier naar toe is gebracht. Dit gebeurde destijds vaker. Wijnvaten werden bijvoorbeeld uit Zuid-Europa naar het noorden vervoerd. Het hout werd vervolgens dankbaar hergebruikt in waterputten.

Afgezien van de waterputten zijn er nauwelijks vondsten aangetroffen uit de vroege middeleeuwen. Later overspoelde het terpje met zeewater: ,,De vindplaats wordt uiteindelijk door een pakket Middelzee-afzettingen afgedekt.’’ Op dezelfde wijze zijn vele oude veenterpjes later met klei bedekt geraakt. Daardoor zie je er aan de oppervlakte niets van en wisten archeologen vroeger weinig van deze oude bewoningsresten.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct