Drie Sneker zusjes verloren hun kostbare oorijzers bij een scheepsramp op de Zuiderzee. Ruim een eeuw later werd het wrak gevonden bij de ontginning van Flevoland. Nu hebben Friese sneupers de identiteit van het schippersgezin ontrafeld. Maar hoe heette het schip?

,,Ik zou graag onderzoek willen doen naar de identiteit van een schippersgezin’’, schreef Joran Smale van museum Batavialand een jaar geleden aan Hans Zijlstra, die al jaren als ‘sneuper’ betrokken is bij digitale speurtochten en projecten rond het Friese verleden.

Smale is conservator van de maritieme rijkscollectie, die bij Batavialand in Lelystad wordt bewaard. Hij speurde zelf naar de achtergrond van dit wrak, maar kwam niet verder met zijn onderzoek. Zo gaat het wel vaker met de scheepsresten die tevoorschijn zijn gekomen bij de inpoldering van de Noordoostpolder en Flevoland.

De documentatie van al deze wrakken en veel opgegraven voorwerpen worden bewaard in de collectie. Helaas valt de naam van het schip of de eigenaar meestal lastig te achterhalen: over de meeste scheepjes is dan ook weinig bekend. Wanneer het wel lukt om iets aan de weet te komen, is dat vaak te danken aan persoonlijke bezittingen met een tekst of naam.

Schippersgezin

,,Het gaat mij om scheepswrak OL84’’, schreef Smale. Dit schip – vermoedelijk een praam – werd in 1959 gevonden in de huidige gemeente Dronten. Het was 16,5 meter lang met een breedte van 4 meter en beschikte vermoedelijk over zwaarden en een strijkbare mast. Aan boord werden veel bezittingen aangetroffen, die duidelijk eigendom waren van een schippersgezin dat aan boord leefde.

De opvarenden bezaten een rijke verzameling aardewerk, pannen en ander kookgerei. Er werd zelfs een geweer gevonden, mogelijk eigendom van de schipper. Op een aantal metalen voorwerpen waren leesbare initialen en woorden te herkennen. Het ging bijvoorbeeld om een tabaksdoos, een tinnen lepel en een speelgoedschaaltje. Het meest intrigerend bleken vier oorijzers. Ze waren van het type dat vooral in Friesland veel gedragen werd door meisjes en vrouwen in de negentiende eeuw.

Daarom vroeg Smale Zijlstra dus om hulp: zou hij met andere Friezen misschien dieper kunnen graven? Viel er te achterhalen welk schippersgezin op het scheepje gevaren had? Zou de historie van het vaartuig zelf mogelijk ook te ontrafelen zijn?

Smale bood een paar bruikbare aanwijzingen: op de tabaksdoos stond de volgende tekst: ‘Joh. Cornelis de Jong 1817’. Op drie oorijzers waren initialen van vrouwen of meisjes met de achternaam De Jong zichtbaar. Dat gold ook voor de lepel, waarop bovendien het jaartal 1826 te lezen viel.

Zijlstra speelde de gegevens door aan bevriende Friese speurders Nykle Dijkstra, Jacob Roep en Jelle Jan Koopmans. De laatste promoveerde vorig jaar in Groningen op onderzoek naar Friese vrachtvaarders.

Zoektocht in oude kranten en digitale archieven

De mannen begonnen te zoeken in oude kranten en andere digitale archieven. Hierbij stuitten ze al snel op een logische kandidaat: het moest haast wel om turfschipper Johannes Cornelis de Jong uit Sneek gaan. Hij werd geboren omstreeks 1784 en liet zijn achternaam registreren in 1811: dat was de tijd van Napoleon, die destijds achternamen verplicht stelde.

Cornelis kreeg met zijn vrouw Aafke Hoekstra een rij dochters, onder wie in ieder geval Hiske, Yda, Ytje, Aagje en Cornelia, geboren in de periode van 1810 tot 1820. Dat paste dus goed bij de lepel met het jaar 1826. Er kwamen nog meer zusjes bij, namelijk Trijntje en Alberdina.

Een aantal namen correspondeert aardig met de voorletters A, J en H op de oorijzers. Mogelijk waren dit Aagje, Ytje en Hiske. De J kan namelijk ook een Y zijn geweest, maar duidde zeker niet op Yda: zij was in 1814 als jong kind overleden. Het vierde oorijzer bevatte geen initialen en kan van moeder Aafke zijn geweest. De lepel was wellicht van Aagje.

Uit verder onderzoek bleek dat Johannes in 1832 als 48-jarige overleed aan boord van een schip in Sneek. Zijn vrouw overleefde hem daarna nog twintig jaar. Ook de genoemde dochters waren toen nog in leven. Het lijkt er dus op dat niemand van de gezinsleden is omgekomen toen het scheepje zonk.

Een paar belangrijke vragen blijven over

Verder speurwerk leverde interessante informatie op over de schepen waarmee Johannes voer. Hij huurde in juli 1827 voor 12 jaar een ,,schuitje genaamd De Welvaart’’. Het was een bescheiden vaartuig van 13 el lengte (ongeveer 9,5 meter).

Eigenaar was Jetze Lykles Bakker, die ook bekend stond als koopman en zilversmid. ,,Van hem is een gevelsteen bewaard in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek’’, melden de speurders. Vermoedelijk was De Welvaart een vervanger voor een eerder scheepje. Dat kan dus heel goed het vaartuig zijn dat op de Zuiderzee was beland. Als dit klopt, vond de ‘ramp’ dus plaats in 1826 of de eerste helft van 1827.

Daarmee weten de onderzoekers al heel veel, maar er blijven een paar belangrijke vragen over. Hoe heette dat gezonken schip? En hoe is het ten onder gegaan? Dat blijkt tot dusver moeilijk te achterhalen. In krantenarchieven zijn gezonken schepen soms terug te vinden, maar in dit geval ontbreekt ieder spoor.

Een zoektocht bij Tresoar, Delpher, het Fries Scheepvaartmuseum en contact met deskundige Sicco van Albada leverdegeen nieuwe gegevens op. Nieuwe tips en aanknopingspunten zijn dan ook welkom, zegt Zijlstra. ,,We hopen nog verder te komen.’’

Met de zusjes De Jong liep het goed af. De meesten vonden een man op het vasteland en hielden op met varen. Waarschijnlijk lopen er nog nakomelingen rond van de meisjes die destijds hun oorijzers verloren. Wie meer aanknopingspunten of informatie bezit over het schippersgezin of het schip, kan dit mailen naar deze krant: stad@lc.nl.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Súdwest-Fryslân
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct