Hans Mol van de Fryske Akademy onder de glazen overkapping van de Broerekerk in Bolsward. FOTO SIMON BLEEKER

De reizende monniken van het Broereklooster

Hans Mol van de Fryske Akademy onder de glazen overkapping van de Broerekerk in Bolsward. FOTO SIMON BLEEKER Foto: Simon Bleeker

Omstreeks 1500 waren er in het huidige Fryslân zo’n vijftig kloosters. Tegenwoordig zijn ze er nauwelijks meer. Overgeleverde teksten, objecten of sporen in het landschap kunnen nog wel heel wat vertellen. Vandaag: het Broereklooster in Bolsward.

Iedereen die bekend is in Bolsward heeft wel eens ‘die kerk met glazen overkapping’ gezien. Het is het oudste monument van Bolsward: de Broerekerk. Het gebouw kreeg vooral bekendheid toen er in 1980 een brand uitbrak. Ruim twintig jaar later - in 2006 - kreeg het zijn befaamde glazen dak, ontworpen door architect Jelle de Jong uit Lemmer. 

Als we verder teruggaan in de tijd, is er nog veel meer historie die deze kerk bijzonder maakt. Tussen 1260 en 1281 is namelijk het Broereklooster gesticht, waarin de eerste Franciscaner bedelmonniken van Fryslân gehuisvest werden, De kerk en het klooster stonden aan de voet van een langgerekte terp. Prof. dr. Hans Mol, van de Fryske Akademy laat zien dat het overblijvende reliëf van die terp nog steeds in het landschap te zien is. We lopen bij de kerk vandaan op het Broereplein richting de Heeremastraat.

Onderweg merken we dat de weg langzaamaan steeds steiler wordt. De kleine steegjes tussen de huizen lopen weer naar beneden; dat dit vroeger een lange, smalle terp was, is nog duidelijk te zien. ,,De tsjerke en it kleaster binne eartiids oan de ûnderkant van de terp boud, omdat de terp sels agraryske grûn wie”, legt Mol uit, terwijl we teruggaan naar de kerk. ,,Dêr hawwe pleatsen op stien en letter kamen der noch in tsjerke en kleaster by. Underoan de terp hat dêr nei alle gedachten noch it measte plak foar west.”

Als we de kerk binnenlopen, zien we een handjevol dagjesmensen met camera’s. Door de glazen overkapping is de kerk, ondanks dat hij behoorlijk kaal is, best fotogeniek. Het is een groot complex en dat was het vroeger ook, ondanks dat Bolsward in 1200 als pre-stedelijke nederzetting nog betrekkelijk klein was.

Mol: ,,Sy hawwe de tsjerke grut boud, omdat sy in protte minsken kwyt moasten. De Franciscanen leine nammentlik it klam op evangelisaasje. Sy foenen dat it folk fierstente min kennis hie fan de Bibel en it leauwen yn it algemien. De tsjerke wie yn dy tiid altyd iepen sadat minsken in tsjinst bywenje koenen om sa mear kennis fan it leauwen te krijen. Dit wie ien fan harren strategyen om ketterij tsjin te gean. En ja, as jo folle minsken yn ’e tsjerke hawwe wolle, dan moatte jo grut bouwe.”

Leven van aalmoezen

De meeste kloosters – bijvoorbeeld het Hasker Convent in Haskerdijken, die in de vorige aflevering werd belicht – waren contemplatieve instellingen. Monniken en nonnen wilden met hun eeuwige gezang en gebed proberen de engelenkoren in de hemel na te bootsen. Dit vond allemaal binnen het klooster plaats en ze kwamen het terrein dan hoegenaamd ook niet af.

,,By de Franciscaner bedeloarder sit dat oars. Sy gongen der op út om de sûndige wrâld de begjinsels van harren leauwen te learen. Sy wiene eins yntellektuele striders foar de paus”, aldus Mol.

De minderbroeders, zoals ze wel genoemd werden, trokken met een sobere leer de wereld in. Ze leefden zelf in grote armoede en zagen af van elke vorm van bezit; zo wilden ze aan het volk laten zien hoe Christus zelf leefde. Met de ontvangst van aalmoezen hielden ze zichzelf in leven.

,,Pastoars yn de omkriten wiene meastentiids bliid mei de komst fan de monniken, want preekje koene se sels net al te bêst.” De broeders kwamen bij meer dan 360 parochies in de wijde omgeving.

Reizen zat deze bedelorde in het bloed. Een monnik die in Bolsward intrad, hoefde ook niet per se in die stad te blijven. Als talenten in een ander klooster beter konden worden gebruikt, dan werden de monniken overgeplaatst naar bijvoorbeeld Groningen of Keulen. Kloosterlingen uit andere regio’s of landen streken soms ook wel in Bolsward neer.

loading

Omdat de monniken als voorbidders populair waren bij de bevolking in de wijde omgeving, werden er regelmatig dodenmissen aangevraagd bij het klooster. Welgestelde lieden konden een bepaald aantal missen kopen, die dan door individuele broeders werden opgedragen.

Sommigen kozen ervoor om ze uit te spreiden over meerdere jaren, anderen wilden er tientallen in een paar weken of maanden afgerond hebben. Rijke mensen konden zo, volgens de broeders, hopen hun tijd in het vagevuur te verkorten en sneller de hemelpoort binnen te wandelen.

Broeder uit Ierland

Wegens een slechte archiefoverlevering is bij de meeste kloosters niet meer te achterhalen wie er heeft gewoond. Bij het Broereklooster is hier nog wel wat over bekend. Een jonge monnik schreef - in niet geheel foutloos Latijn - de namen van de kloosterbewoners op, gepaard met wat wetenswaardigheden. ,,Hy hat it opskreaun op in pear lege siden fan in geastlik boek, dat yn de jierren fyftich fûn is”, aldus Mol.

Zo blijkt dat er rond 1370 veertien monniken in het klooster woonden. Een aantal van hen werd onderwezen door de cursor (docent) broeder Herman van St. Brigida, die wellicht uit Ierland kwam. Volgens de krabbels van de jonge monnik is dit een mild, wijs en muzikaal man geweest, die ook lesgaf in liturgische zang. Verder was er een theologiedocent genaamd Wiardus, een gardiaan (leider) Hugo en een ordefunctionaris, Viardus van Dokkum.

Uit de herkomstnamen en kwalificaties van de studenten valt op te maken dat het Bolswarder klooster een opleidingscentrum was voor monniken uit Nederland en daarbuiten. ,,Hjir sjochst ek wer yn werom dat sy in protte wearde hechten oan goed ûnderwiis.”

Rond de reformatie gaat het met alle kloosters en dus ook het Broereklooster, niet goed. Na veel spanningen moeten de broeders hun klooster omtrent 1572 verlaten. De onrust is dan nog niet gedaan; in 1580 wordt het kloostercomplex door twee soldaten in brand gestoken.

Daarna dreigt het te worden gesloopt, om de kloostermoppen te kunnen gebruiken voor versterking van de dijk tussen Harlingen en Makkum. Door ingrijpen van Johannes Heerema, lid van het stadsbestuur, kon dit worden voorkomen. Mol: ,,Dat de tsjerke hjir nei al dizze ellinde noch stiet, is wol in wûnder te neamen.”

Dit is deel II van de serie kloostergrond waarin kloostersporen worden onderzocht met behulp van prof. dr. Hans Mol van de Fryske Akademy. Mol doet onder meer onderzoek naar kloostergeschiedenis.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct