Nynke K. Oreel-Bierma wijst thuis aan op welke plekken haar man tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef in Nederlands-Indië.

Na de Japanse bezetting en de kampen woog Hallumer Tjerk Oreel nog maar 35 kilo

Nynke K. Oreel-Bierma wijst thuis aan op welke plekken haar man tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef in Nederlands-Indië. Foto: Niels Westra

De in 1999 overleden Tjerk Oreel uit Hallum maakte de oorlog en de Jappenkampen mee in Nederlands-Indië. Hij schreef erover naar zijn Friese familie. Zijn tweede vrouw, Nynke K. Oreel-Bierma uit Menaam, legde zijn nalatenschap vast.

Pas op 24 augustus 1945 hoorde de uit Hallum afkomstige Tjerk Oreel in de binnenlanden van Midden-Sumatra dat Japan zich had overgegeven. Met deze capitulatie was op 15 augustus officieel een einde aan de Tweede Wereldoorlog gekomen, maar de krijgsgevangenen uit het Nederlands-Indische leger hoorden pas dagen later van de vrede.

Op dat moment zat Oreel ,,in het jaar van de grootste ellende’’, schrijft hij. In Medan op Sumatra legt hij later, eind 1945, in handgeschreven brieven en in chronologische volgorde vast wat hij sinds 10 mei 1940 meemaakte. Juist de laatste veertien dagen van zijn gevangenschap ,,zijn we op een meer dan beestachtige wijze behandeld’’.

Met de handschoen

Terwijl de in 1914 geboren Tjerk het aanvankelijk zo goed had op Sumatra. Hij vertrok in 1936 naar de tropen om er te werken in de oliepalmcultuur en de palmoliefabricage. In 1938 trouwt hij ,,met de handschoen’’ met Pietje Hesseling, in zijn brieven Piet genoemd, die zich bij hem voegt. Ze krijgen twee kinderen, later in Hallum komen er nog drie bij.

,,We hadden de hemel op aarde’’, schrijft Oreel over het begin van zijn huwelijkstijd. Tot 8 december 1941. ,,Toen brak hier in de Pacific de hel los en was dit aards paradijs afgelopen.’’ Oreel moest zich melden bij het leger, vrouw en kinderen bleven achter en kwamen in Japanse vrouwenkampen terecht, waar Piet als verpleegster werkte.

loading

‘Nog minder dan honden behandeld’

De jaren erna trekt Oreel op bevel van de Japanners door een groot deel van Sumatra. Padang, Atjeh, Siantar, Belawan, Medan, Petai en tot slot Kamp Logas waar ze de spoorweg tussen Pakan Baroe en Logas aan moeten leggen door moerassig gebied met oerwouden.

De vreselijke ontberingen, zoals in ondervoede toestand 108 kilometer lopen naar de Blang, omschrijft Oreel soms bijna in luchtige bewoordingen, wellicht om zijn Friese familie gerust te stellen. Maar hij is ook eerlijk. ,,En toch was het moeilijk, we zaten gevangen achter prikkeldraad, achter muren in een mierennest van mensen zonder rust. Je was nooit alleen.’’ Even later schrijft hij: ,,We werden nog minder dan honden behandeld. We werden afgebeuld, moesten 20 uur per dag werken en werden afgebeuld met stokslagen.’’

Koude ontvangst

Aan het eind van de oorlog woog hij nog maar 35 kilo, vertelt zijn tweede vrouw. In januari 1946 keert het gezin met het eerste troepenschip terug naar Nederland. ,,Wanneer we aankomen in IJmuiden roepen mensen vanaf de kade: ‘vuile kolonisten’. Dat was moeilijk te verwerken na alles wat we meegemaakt hadden.’’

Bij terugkomst in Nederland startte Oreel de Hallumer fabriek van zijn familie, een onderneming die nog steeds bestaat, weer op en bouwde een nieuwe fabriek. Tot 1953 werkte hij samen met zijn broer Sytze in de melkbussenfabriek.

Allebei hadden ze een gezin met vijf kinderen en dat zou de latere opvolging bemoeilijken. Tjerk kiest er daarom voor met Piet en zijn vijf kinderen naar Brazilië te vertrekken, waar hij opnieuw werkt in de oliepalmcultuur en een nieuwe plantage sticht. Nynke Oreel bezocht deze plantage in 2003.

Van Brazilië naar Italië

In 1958 komt een einde aan het avontuur in Brazilië. De Oreels vestigen zich daarna dertig jaar lang in Italië, waar Tjerk werkt als zadenvertegenwoordiger voor de Hollands-Zweedse firma Hilleshög. In 1987 keren ze terug naar Friesland, waar Oreel na het overlijden van zijn vrouw hertrouwt met Nynke Bierma, die de familie Oreel vanuit haar jeugd goed kende en opgroeide met de verhalen over ,,omme Tjerk’’ in dat verre buitenland.

De ondernemende en reislustige Fries noemt zijn oorlogsjaren ,,een droevig relaas.’’ ,,Maar denk niet dat we alleen maar in mineur gestemd waren. We plaagden de Jap zoveel we konden en hebben vaak gelachen. Hoewel dat lachen zuur was. Het aantal slachtoffers was te hoog.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct