Onderzoek naar bejegening Joodse huiseigenaren na oorlog

Het Joods monument bij de voormalige Joodse school in Leeuwarden. Foto: Niels Westra

Leeuwarden gaat onderzoeken hoe de gemeente zich heeft gedragen tegenover Joodse huiseigenaren in en na de Tweede Wereldoorlog. De uitkomst moet duidelijk maken of onrechtmatige transacties na de oorlog zijn hersteld.

De Friese hoofdstad is een van de twintig gemeenten die onderzoek gaan doen. Dat blijkt uit een rondgang van De Monitor en Pointer (KRO-NCRV) langs verschillende gemeenten die voorkomen in de vastgoedadministratie van de Duitse bezetter.

Historisch Centrum Leeuwarden is een vooronderzoek in de archieven begonnen, bevestigt archivaris Alexander Tuinhout. De uitkomst kan aanleiding zijn voor uitgebreider onderzoek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Joods vastgoed onteigend en doorverkocht. De gemeenten gaan onderzoeken of belastingen zijn geheven terwijl de Joodse eigenaren geen toegang hadden tot hun woningen, en hoe ze zijn omgegaan met onteigende panden die ze zelf aankochten.

In Leeuwarden gaat het om 130 tot 140 panden die tijdens de oorlogsjaren in bezit waren van Joodse families en ‘onder beheer gesteld’ werden, ofwel in beslag genomen door de Duitse bezetter en mogelijk verkocht zijn. Tuinhout: ,,We willen weten hoe dit na de oorlog is afgewikkeld en wat de rol van de gemeente hierin is geweest.’’

Schadeloos stellen

Volgens de HCL-archivaris zijn er vooralsnog geen aanwijzingen dat de gemeente Leeuwarden nauw betrokken is geweest bij de onteigeningen. ,,Het ging om een rijksmaatregel en om transacties tussen particulieren. Uit de eerste bevindingen blijkt dat in twee gevallen de gemeente als koper optrad. In één geval ging de koop niet meer door. Het andere betrof een pand aan het Raadhuisplein dat in de oorlog is aangekocht. Daarna is in overleg met de Joodse erfgenamen besloten om het zo te houden en is er alsnog een marktconforme prijs betaald.’’

Tuinhout: ,,In principe moesten Joden na de oorlog schadeloos gesteld worden. Het onderzoek, dat vermoedelijk enkele maanden duurt, moet uitwijzen of dit is gebeurd. Zijn de panden teruggegaan naar de rechtmatige eigenaar of is er een schadevergoeding betaald?’’

Over hoe gemeenten gehandeld hebben rond geroofd Joods vastgoed is nog weinig bekend.

Onderzoeken in Amsterdam (2016), Den Haag (2019), Rotterdam (2020) en Utrecht (2020) lieten een kille en zakelijke houding zien tegenover Joodse huiseigenaren die terugkeerden uit de kampen en onderduikadressen. Er werd geen rekening gehouden met het leed dat de overgebleven Joodse bevolking doorstaan had tijdens de oorlog. In Amsterdam en Den Haag werd terugkerende Joden gevraagd om hun erfpacht en straatbelastingen met terugwerkende kracht te betalen over de periode dat hun huizen niet in hun bezit waren.

Joodse gemeenschap in Friesland

Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hebben naar aanleiding van de onderzoeken tot nu toe 14,6 miljoen euro uitgekeerd aan individuen en Joodse organisaties.

In Leeuwarden huisde de grootste Joodse gemeenschap van Friesland. Van de 665 joden in Leeuwarden waren er na de oorlog 114 over: 107 onderduikers en 8 overlevenden uit de vernietigingskampen. Na de oorlog emigreerde een deel van hen. In 1951 waren nog 100 Leeuwarders lid van de Joodse Gemeente. Dit aantal zou later verder dalen.