De gemeente Leeuwarden heeft nauwelijks een rol gespeeld in de roof van Joodse huizen tijdens de oorlog. Na de bevrijding was de gemeentelijke houding kil, maar niet onrechtmatig.

Dit constateert het Historisch Centrum Leeuwarden in een onderzoek dat deze week is verschenen. Net als andere grote steden hield Leeuwarden het eigen gedrag tegen het licht: hoe was de gemeente omgesprongen met Joodse panden in en na de oorlog? Het onderwerp kreeg vorig jaar veel aandacht door een uitzending van NCRV/KRO-programma De Monitor.

De Duitsers bedachten tijdens de oorlog een manier om Joden te beroven. Hun gebouwen en gronden werden in 1941 onder beheer gesteld van de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV). Op deze manier werden in Leeuwarden 239 percelen afgepakt. Hiervan zijn er in de oorlogsjaren 141 verkocht aan allerlei partijen.

,,De gemeente Leeuwarden is bij de onderbeheerstelling en verkoop van Joodse vastgoederen nauwelijks betrokken geweest’’, concludeert HCL-onderzoeker Alexander Tuinhout.

Er is een uitzondering, namelijk het pand op Raadhuisplein 32, vlakbij het stadhuis. Eigenaar Max Cohen had hier jarenlang een goedlopende zaak in loterijloten. De Duitsers voerden hem af naar concentratiekamp Mauthausen, waar hij in 1942 stierf.

De NGV bood het pand bij de gemeente aan, maar burgemeester Beijma wees aankoop af. Dat veranderde toen NSB-burgemeester Schönhard zijn taken overnam. Onder zijn leiding kocht de gemeente het pand wel aan, waarna het werd verhuurd aan de NSB en de Stichting Winterhulp Nederland.

loading  

In 1951 betaalde de gemeente alsnog een aankoopbedrag aan bewindvoerders van de familie Cohen. De gemeente moest kiezen: betalen of het pand terugschenken. Verkoopcontracten van geroofde goederen werden na de oorlog namelijk ongeldig verklaard.

Toch stuitten veel Joden na de oorlog op een kille formele houding toen ze hun geroofde Nederlandse eigendommen weer in gebruik wilden nemen. Juridische procedures om hun bezit terug te eisen waren complex. Daarom kozen ze vaak voor een snelle ,,minnelijke schikking’’ met de personen die de panden sinds de oorlog in gebruik hadden.

Den Haag en Amsterdam toonden zich op belastinggebied zeer kil: ze eisten van Joodse eigenaren alsnog de erfpacht op, die in de oorlog over hun panden betaald had moeten worden. In Leeuwarden gold voor de meeste panden echter geen erfpacht. Voor zover die wel bestond, lijkt Leeuwarden ruimhartiger te hebben gehandeld.

De heffing van straatbelasting ging tijdens en na de oorlog wel door. Ook de kopers van roofgoed betaalden deze taks. Op het gebied van straatbelasting stelde de gemeente zich na de oorlog dus zakelijk en kil op, maar wel geheel volgens de wet, stelt het onderzoek. Burgemeester en wethouders volgen deze redenering: voor restitutie nu zien ze geen reden.

Een aantal Duitsgezinde speculanten verdiende tijdens de oorlog veel geld aan de handel in Joodse panden. Enkelen van hen kregen na de oorlog gevangenisstraffen.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Leeuwarden
Geschiedenis
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct