Rabbijn Shmuel Spiero ontsteekt de kaarsen voor Chanoeka bij het Joods Monument.

Hoe de Joden in Leeuwarden kwamen

Rabbijn Shmuel Spiero ontsteekt de kaarsen voor Chanoeka bij het Joods Monument. Foto: Jaap Schaaf

Leeuwarden bezat al opmerkelijk vroeg een goed georganiseerde Joodse gemeenschap. Dat was te danken aan Jacob ‘de Jode’, die hier omstreeks 1650 kwam wonen. Zijn vader Uri Halevy was de eerste rabbijn van de Portugese Joden in Amsterdam.

Dat valt te lezen in de hernieuwde uitgave van Joden van Leeuwarden , een boek dat in 1974 voor het eerst verscheen. Het werd destijds geschreven door Hartog Beem, die als Joodse Leeuwarder de gebeurtenissen voor, tijdens en na de oorlog in zijn stad van dichtbij had meegemaakt.

De tragedie van zijn leven werd de afgelopen maanden meermaals in deze krant beschreven. Terwijl Hartog en zijn vrouw Rosette de oorlog als onderduikers overleefden in de Leeuwarder Potgieterstraat, werden hun kinderen Bram en Eva in 1944 opgepakt op een onderduikadres in Ermelo. Zij stierven in Auschwitz.

Beem stortte zich na de oorlog op de geschiedschrijving van de Joodse gemeenschap en de Jiddische taal. Dat leverde verschillende publicaties op, waaronder zijn boek over Leeuwarden. Daarin probeerde hij ook te reconstrueren hoe de eerste Joden zich hier vestigden en staande hielden: een onderwerp dat voor die tijd nauwelijks in kaart was gebracht. Dat de Friese hoofdstad al opmerkelijk vroeg een Joodse Gemeente kende, merkte hij in 1974 al op, maar de oorsprong ervan bleef vaag.

Zijn speurwerk in archieven werd later voortgezet door Chaïm Caran, die dankzij de groeiende digitalisering verschillende nieuwe ontdekkingen deed. ,,Ik heb voor de vernieuwde uitgave een aanvullend hoofdstuk geschreven over nieuwe ontdekkingen rond de oudste periode van de vestiging van Joden in Leeuwarden, en over wat er na 1974 in en met Joods Leeuwarden is gebeurd’’, vertelt hij.

Caran woont al veertig jaar in Israël, maar voelt zich betrokken bij Joods Leeuwarden: ,,Ik stam af van de secretaris van de Joodse Gemeente Isaac Joseph van Gelder (1818-1888), de grootvader van mijn grootmoeder, die ook uitgever en leesbibliotheekhouder was. Dus zal er wel iets in de genen zijn overgedragen.’’

De hernieuwde uitgave van het boek zou eigenlijk dit voorjaar feestelijk gepresenteerd worden, maar de coronacrisis maakte dit onmogelijk. Er komt dit jaar nog een nieuwe kans, want op 22 juli is het 350 jaar geleden dat Leeuwarden zijn eerste Joodse begraafplaats kreeg op de Boterhoek. De plek is nog aanwijsbaar als ‘binnenpleintje’ van historisch centrum Tresoar. ,,Een goede reden om weer eens stil te staan bij de oudste geschiedenis van de Joodse gemeente’’, vindt Caran.

Er ligt een direct verband met de komst van Sefardische Joden naar Amsterdam. Al sinds de Romeinse tijd woonden er grote Joodse gemeenschappen in Spanje en Portugal, waar zij hun eigen religie en cultuur konden behouden in de lange periode dat islamitische Arabieren daar heersten.

Toen katholieken het Arabische gebied geleidelijk in handen kregen, veranderde dit. Spaanse Joden werden in de vijftiende eeuw gedwongen om zich te bekeren tot het christendom. Zelfs hun katholiek gedoopte nageslacht werd gewantrouwd, vervolgd en soms vermoord door het gezag. Veel Joden vertrokken naar Portugal, maar ook daar werd de situatie al snel hachelijk. Ze moesten op zoek naar een veiliger haven.

Die vonden ze in Nederland, dat succesvol oorlog voerde tegen de katholieke Spanjaarden. Vooral handelsstad Amsterdam stelde zich tolerant op tegenover de Joodse nieuwkomers, die met hun uitstekende handelscontacten een verrijking vormden voor de economie.

De Sefardische Joden die zich hier vestigden, mochten zelfs hun oorspronkelijke geloof weer belijden. Daarbij stuitten ze wel op problemen, want ze misten kennis over hun oude rituelen en regels. Ze hadden immers lange tijd als schijnchristenen moeten leven.

De Amsterdamse Sefardische Joden zochten daarom contact met hun – zogeheten Ashkenazische – geloofsgenoten in Duitsland en Oost-Europa. Daar bestond een grote gemeenschap van Jiddisch sprekende Joden, die hun geloof nooit waren kwijtgeraakt. Ze zochten steden op met een vrijzinnige sfeer, zoals het Ost-Friese Emden.

De daar woonachtige Uri Halevy bleek in 1602 bereid om als rabbijn naar Amsterdam te verhuizen. Daar zou hij later herinnerd worden als ,,een legendarische persoon’’, die met zijn zoon Aron regels opstelde voor de nieuwe ‘Portugese gemeente’. Uri kon besnijdenissen uitvoeren en koosjer slachten. Hij bracht zijn Amsterdamse geloofsgenoten zo veel mogelijk kennis en gebruiken bij.

loading  

Dat de Halevy’s ook met Leeuwarden verbonden raakten, wist Beem niet toen hij zijn boek schreef. Dit kwam pas later aan het licht bij nieuw vergelijkend archiefonderzoek. Wat bleek? Jacob Philip Halevy, die in 1670 de eerste Joodse begraafplaats in Leeuwarden stichtte, was de tweede zoon van Uri.

Caran publiceerde hier al vaker over. ,,Wanneer en waarom Jacob naar Leeuwarden kwam, is niet bekend. Het moet tussen circa 1645 en vermoedelijk 1650 zijn geweest’’, schrijft hij. Jacob en zijn nazaten speelden tot ver in de achttiende eeuw een belangrijke rol in het Joodse leven van Friesland.

Latere afstammelingen namen zelfs de naam Jacobson aan, toen zij in de achttiende eeuw naar Rotterdam en Amsterdam verhuisden. Dit was een eerbetoon aan hun Leeuwarder voorvader ‘Jacob de Jode’.

Beem wees in 1974 al op een interessante Amsterdamse akte uit de zeventiende eeuw: de zeventienjarige Judith Jacobs uit Leeuwarden trouwde in 1669 met een Amsterdamse Joodse koopman. Zij was de dochter van Jacob Halevy, stelde Caran later vast.

Jacob was ook initiatiefnemer van de eerste Joodse begraafplaats op de Boterhoek in 1670. De gemeentelijke toewijzing van zo’n plek markeert in veel Friese plaatsen het eerste moment waarop een opkomende Joodse gemeenschap een officiële status kreeg van een gemeentebestuur.

loading  

Jacob instrueerde zijn zoon Juda om besnijdenissen uit te voeren. Ook hij kreeg dan ook een belangrijke rol binnen de Friese Joodse gemeenschap. Het origineel van Juda’s besnijdenisregister bevindt zich tegenwoordig in het Amerikaanse Cincinnati, waar tegenwoordig een grote Joodse gemeenschap woont.

Hoe dat boek daar belandde? ,,Dat zou nog wel eens een interessante studie kunnen opleveren.’’ ,,Het register begint in 1697, met zijn besnijdenissen in Leeuwarden, Kollum, Makkum en Franeker. Een ouder besnijdenisregister is zelfs in Amsterdam niet te vinden’’, meldt Caran.

Ook in de generaties voor Jacob Halevy woonden hier en daar Joodse gezinnen in de provincie. Zo af en toe waarschuwden gemeentebesturen voor rondreizende ‘Joden en Smoussen’, doelend op rondzwervende mannen met geen of een vaag beroep. Vaak kwamen ze uit Duitsland.

Voor Joden die op een waardige wijze in eigen onderhoud konden voorzien, waren gemeenten tamelijk tolerant. Desondanks werden Joden niet toegelaten tot veel traditionele ambachten, die nog georganiseerd waren volgens gildeverbanden. Vaak stonden zij daarom geregistreerd als ‘koopman’, vermeldt het boek. Dat vak moest ‘in de ruimste zin’ van het woord worden uitgelegd.

Ze handelden werkelijk in van alles, van porselein tot juwelen en kleren. Ze reisden veel naar handelsstad Amsterdam. Ook de familie Halevy bestond vooral uit kooplieden. De Joodse gemeenschap in Leeuwarden groeide in de achttiende eeuw snel, deels door de komst van nieuwkomers uit Duitsland en Oost-Europa.

Workum kreeg in 1664 de eerste Joodse begraafplaats van Friesland. Een volgende generatie van deze gemeenschap stichtte later in Hindeloopen een Joodse Gemeente. De aanleg van de begraafplaats werd in 2014 uitgebreid herdacht, mede door toedoen van Caran. Ook Kollum is bekend als vroege vestigingsplaats. Een neef van Jacob Halevy zou daar hebben gewoond, zo wordt in archieven gemeld. Wie dit precies was, valt volgens Caran niet goed na te gaan.

Her en der in de provincie ontstonden religieuze centra: een sjoel of synagoge. Dat gebeurde niet alleen in steden als Bolsward en Sneek, maar ook in kleinere plaatsen, bijvoorbeeld Gorredijk en Noordwolde.

In de negentiende eeuw kwam de Joodse Gemeente in Leeuwarden tot grote bloei. Ze ontwikkelde zich als een maatschappelijk-religieuze zuil, die zich net als katholieken en protestanten breed organiseerde in eigen verenigingen, scholen en gebouwen. Ze bouwde in de Sacramentsstraat een synagoge, die geleidelijk werd vergroot tot het gebouw zoals het er nu staat.

loading  

Na 1870 was het gedaan met de Joodse groei in Friesland. De stagnerende economie was hiervan de belangrijkste oorzaak, stelde Beem vast. Veel Joden trokken weg naar de rijkere Hollandse steden – of nog verder weg – op zoek naar betere kansen. Sommigen gingen naar Amerika. De Joodse Gemeente beleefde een voortdurende krimp tot in de jaren dertig.

De dramatische gebeurtenissen in en rond de oorlog werden door Beem al uitvoerig vastgelegd in het boek. Caran vulde dit aan met een bondige historie van de latere periode. De Joodse Gemeente ging vanaf 1980 verder in een kleinere synagoge. Verschillende rituele voorwerpen uit het oude gebedsgebouw werden geschonken aan nieuwe gemeenschappen in Israël.

Nazaten van de Leeuwarder Joodse gemeenschap kwamen sindsdien nog vaak naar Friesland. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 2010 bij een bijeenkomst ter herinnering aan oud-Leeuwarder Samuel Meijer Isaacs, die na zijn emigratie maar liefst 47 synagoges inwijdde in New York.

Ook het jubileum van de 350-jarige begraafplaats vraagt om een bijzonder ontmoetingsmoment. Caran hoopt dat dit in augustus of september kan plaatsvinden, maar alles hangt nu af van de ontwikkelingen rond de corona.

Joden van Leeuwarden, Geschiedenis van een Joods cultuurcentrum. H. Beem en C. Caran, uitgeverij Koninklijke Van Gorcum, 37,95 euro .

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct