Jan Post op de Tjessingawei, een oude Middelzeedijk in het Nieuwland bij Bitgummole.

'De Friese dijken zouden evenveel aandacht moeten trekken als de Egyptische piramides'

Jan Post op de Tjessingawei, een oude Middelzeedijk in het Nieuwland bij Bitgummole. FOTO NIELS WESTRA

Bijna niemand herkent ze, maar Jan Post wijst ze aan: de overblijfselen van bijna verdwenen middeleeuwse zeedijken die her en der in Friesland nog te vinden zijn.

,,Ik denk dat veel mensen niet weten dat er nog zoveel stukken dijk bewaard zijn’’, zegt Jan Post uit Leeuwarden. Neem nou dat restant van een stokoude dijk tussen Moaie Peal en Wier, een stukje Hoepdijk bij Rien, en een ,,loos stukje Slachtedijk’’ bij Kiesterzijl. Zo kent hij nog veel meer voorbeelden.

,,De Friese dijken zouden evenveel aandacht moeten trekken als de Egyptische piramides’’, vindt Post. In zijn ogen zijn het landschapsmonumenten van hoge cultuurhistorische waarde. Toch verdwijnen ze in rap tempo uit het Friese landschap. Het ene na het andere stukje wordt weggegraven. Veel mensen herkennen de verhogingen niet eens.

Post toert al veertig jaar rond door de provincie, turend naar bijzondere vormen in het landschap om hem heen. Hij gebruikt zijn racefiets niet om te sprinten, maar als rijdend uitkijkpunt. Post zag de afgelopen decennia ,,tientallen kilometers dijken verdwijnen: het idee dat zo’n hoogte in of langs je land een monument is, wordt door velen niet begrepen.’’ Toch zijn ze er nog, ook op plekken waar niemand ze verwacht.

Post vatte afgelopen najaar zijn Friese dijkenkennis samen in het zelf uitgegeven boekwerk Zoden aan de Dijk , waarin hij ‘de waterstaat voor 1500’ opnieuw bekijkt. Laagdrempelig leesvoer is het niet: je moet er veel achtergrondkennis voor hebben. Post verwijst veelvuldig naar het boek Binnendiken en Slieperdiken . Dit naoorlogse standaardwerk van Walther en Rienks was voor hem een reisgids, die hij gebruikte om verder te kijken en te bedenken ,,hoe het systeem in elkaar zit’’, bijvoorbeeld bij de afwatering van al die poldertjes.

Bedijking polders

Enerzijds is Post een scherpe waarnemer, die veel dingen ziet die anderen ontgaan. Anderzijds klinkt in zijn beschrijvingen altijd een grote strijdvaardigheid door, want hij probeert veelvuldig de denkbeelden van beroepshistorici te weerleggen. Ook met Walther en Rienks is hij het geregeld oneens.

De meeste geschiedkundigen gaan ervan uit dat Friesland rond het jaar 1000 al stukken land begon af te schermen met zeedijken. Vanaf dat moment konden boeren geleidelijk verhuizen vanaf de terpen naar het lager gelegen land. Post ziet dit anders: hij denkt dat dit proces pas enkele eeuwen later is begonnen. In zijn nieuwe boek plaatst hij de start van de bedijkte polders aan het begin van de dertiende eeuw.

Dit proces moet in zijn ogen zijn begonnen tussen Boazum en Nijland: in het zuidelijkste deel van de Middelzee. Dit was een diepe zeearm, die vanuit het huidige Bildt zuidwestwaarts liep tot langs Sneek. Vanaf 1200 is dit natte gebied stap voor stap drooggelegd met een combinatie van opslibbing en menselijke drooglegging met dijken.

De polder van Tjalhuizum bij Tirns is volgens Post het oudste voorbeeld van een bedijkte polder. De Ringdyk hier omheen moet iets na 1200 zijn aangelegd, denkt hij. Hierna kwamen verderop verschillende ringen en ‘hoepels’ tot stand: eerst de ,,hoepdijk bij Easterein’’, vervolgens de Oerdyk bij Ivige Leane, gevolgd door drie bedijkingen bij Tzum. Daarna volgden de Schraarder Hem, het eiland van Pingjum en daarna de Nijlander Hem in dries fases.

Grote vondsten

Het staat vast dat er voor die tijd al zijlen (sluizen) waren aangelegd in Friesland. Post noemt bijvoorbeeld een twaalfde-eeuwse klepsluis bij Buitenpost. Sommigen denken dat de aanleg hiervan synchroon liep met de bouw van dijken, maar Post gaat ervan uit dat zijlen in eerste instantie ook in onbedijkt gebied werden gebouwd.

Gedetailleerd gaat hij in op de verdere inpoldering van de Middelzee. Stuk voor stuk beschrijft hij de nieuwe oost-westdijken, waarmee telkens een stukje van deze ‘zee’ werd afgesneden, totdat eind vijftiende eeuw alleen het Bildt zelf nog ingepolderd moest worden. Ook het Marnegebied bij Bolsward kent zo’n historie.

Voor buitenstaanders is het lastig vast te stellen wanneer Post het bij het rechte eind heeft en wanneer niet. Veel historici blijven het oneens met zijn late dateringen. Tegelijk is er ook waardering voor zijn scherpe blik, die al grote vondsten heeft opgeleverd.

Eind jaren negentig ontdekte Post bijvoorbeeld unieke stinsrestanten bij Hallum. Hij zag de rechthoekige contouren van deze kasteeltjes in de akkers, toen hij er langs fietste. Het bleek te gaan om opmerkelijk oude stinstorens van tufsteen. Of zijn dateringen nu kloppen of niet: die scherpe blik maakt Posts observeringen rond de dijken interessant.

Kustlijn Middelzee

Post heeft lang nagedacht over de kustlijn van de Middelzee, zoals die vroeger door Leeuwarden liep. Zeer waarschijnlijk zijn de Schrans, de Wirdumerdijk en de Mr. P.J. Troelstraweg aangelegd op oude zeedijken, maar hoe zat het met het rommelige gebied tussen de Oldehove en de Waag? Daar waterde de (latere Dokkumer) Ie ooit uit in de Middelzee, maar hoe dan precies?

Zeker weet Post het ook niet, maar hij heeft er wel ideeën over: ,,Ik ben geneigd het hele gebied tussen de Weerd en de Eewal als havengebied te beschouwen. Mogelijk eerst in de richting van het Zaailand, want de Nieuwestad was er nog niet.’’ Dit was een ,,plas-drasgebied’’. De straatnaam Weerd herinnert immers ook aan een natte waardgrond.

Hij vermoedt dat de Ie vanaf de Weerd doorliep naar de zuidzijde van de huidige Nieuwestad en vervolgens verder naar het zuidwesten. De Bagijnesteeg was ooit een gracht, mogelijk een overblijfsel van een oude slenk, die aan de zuidzijde van de Nieuwestad verder liep naar het zuidwesten. De route hiervan zou door de Hoedemakerssteeg of Oude Lombardsteeg gelopen kunnen hebben, denkt Post.

Zelfs de recente verzakking bij het Pearle-pand kan op de loop van zo’n oud wadstroompje duiden. Het zijn vermoedens, benadrukt Post. Alleen archeologisch graafwerk kan hierover zekerheid bieden.

Dijkrestanten opzoeken

Op soortgelijke wijze heeft Post eigenzinnige ideeën over het ontstaan van de Dokkumer Ie, die in de middeleeuwen ontstond door menselijk ingrijpen. Verschillende oude watertjes werden toen aan elkaar geknoopt, mede door ingrijpen van klooster Klaarkamp. Zo gaat hij alle oude dijkgebieden van Friesland langs: van de Lauwerszee tot Langezwaag en van het Marnegebied bij Bolsward tot boven Franeker.

Wie met eigen ogen nog dijkrestanten wil bekijken, krijgt van Post een lijstje met tips. Denk bijvoorbeeld aan het Middelzeegebied tussen Stiens en Bitgummole: ,,Achter de boerderij op de driesprong Stienzer Hegedyk-Nijlansdyk ligt nog een hoogte in het verlengde van de Skredyk.’

Zo kent hij ook een ,,vermoedelijk’’ dijk-restant tussen Wergea en Hemriksein, een strook bij het Mearsterpaad in Lekkum en een mogelijke dijk tussen Waaksens en Holwerd. Op veel plekken moet je geen seconde wachten om te kijken, zegt Post. Denk aan de Goodijk bij Alde Leie: ,,Opschieten: het meeste van de Goodijk is vernield of al weg.’’ Verdwenen voorbeelden kent hij helaas ook: ,,Van de Terwispeler Walle/Ouddijk/Leits is, denk ik, nergens iets overgebleven na de cultuurtechnische werken in de jaren tachtig.’’

Zoden aan de dijk/Diken by't soad . De waterstaat voor 1500 in Friesland opnieuw bekeken. Jan Post. Fondsenn De Neitiid. Leeuwarden 2020.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct