Jacob van Deventer maakte in 1560 een ruwe schets van het gebied. Het slot stond rechts op een eilandje. Via een brug

'Cammingha's verlegden gracht uit vrees voor aanval'

Jacob van Deventer maakte in 1560 een ruwe schets van het gebied. Het slot stond rechts op een eilandje. Via een brug

De vreemde ondergrondse muren bij het Leeuwarder Camminghaslot zijn resten van een gracht. Die werd rond 1570 aangelegd om kanonnen op afstand te houden.

Dit denkt archeoloog Cuno Koopstra, die de opgraving aan de zuidrand van het oude slotcomplex leidt. Archeologen van bureau MUG vonden vorige week forse gemetselde wanden bij de Leeuwarder Schoppershofstraat. Veel mensen braken zich er het hoofd over.

Deze krant kreeg verschillende reacties van lezers. Zij opperden bijvoorbeeld dat het een wasplaats voor vee zou kunnen zijn of een kelder voor drinkwater. Twee lezers kwamen met hetzelfde idee: zij dachten aan een ijskelder, zoals er bij Fogelsanghstate in Veenklooster nog eentje te vinden is. Zulke kelders functioneerden als koelkasten voor etenswaren: ze werden ’s winters met blokken ijs gevuld. De ruimte bleef het hele jaar koud.

Lees ook | Raadsel: archeologen vinden ondergrondse ruimte bij Camminghaburg Leeuwarden

Koopstra heeft zitten puzzelen met alle mogelijkheden. ,,Het moet toch een gracht zijn geweest’’, zegt hij. In eerste instantie leek dit onwaarschijnlijk, ,,maar ik heb alle oude kaarten nog eens met elkaar vergeleken en toen viel me iets op: de oprijlaan vanaf het Cambuursterpad richting het slot liep in 1560 nog recht, maar op latere kaarten niet meer.’’ Ineens zat er een knikje in dit pad. De looproute moet dus een stukje zijn verlegd.

De Cammingha’s

,,Zulke knikjes zie je vaker bij verdedigingswerken’’, zegt Koopstra. ,,In de oude situatie kon je bij het Cambuursterpad een kanon neerzetten en in een rechte lijn de poort wegschieten.’’ Door een knikje in het pad aan te brengen, werd dat onmogelijk. ,,Ik kan me voorstellen dat er bij het Cambuursterpad ook nog een wal heeft gelegen om kanonvuur verder te belemmeren.’’

De rooms-katholieke familie Cammingha had beslist goede redenen om haar slot beter te beveiligen in de beginperiode van de Tachtigjarige Oorlog. Watergeuzen voerden vanaf 1569 plunderingen uit op Ameland, waar de Cammingha’s als eigenaar ook een kasteel bezaten. De piraten vernielden ook kloosters en andere gebouwen op het Friese vasteland.

,,De Cammingha’s zullen hebben bedacht dat ze ook hun Leeuwarder slot beter moesten verdedigen’’, zegt Koopstra. Om het knikje in het pad te maken, verplaatsten zij de oprijlaan naar het westen. De oude westergracht werd dankzij deze verplaatsing de nieuwe oostergracht. Er kwam ook een nieuwe westergracht. ,,Daarvan hebben we nu de zuidbeëindiging gevonden’’, denkt Koopstra.

,,Dat metselwerk is dus de kade van een nieuwe gracht’’, zeg hij. Omdat deze mogelijk geen verbinding met ander water had, kwamen er buizen naar de andere gracht: dit diende voor waterverversing. Overigens is de puzzel nog niet af: de archeologen snappen de ingewikkelde structuur van grachten en paden nog niet helemaal.

De Cammingha’s hebben weinig aan de verdediging gehad. In 1580 maakte Leeuwarden zich los van het katholieke Spaanse gezag. Protestanten waren nu de baas in Friesland. De Cammingha’s moesten zich een tijdje koest houden. Ze bleven wel trouw aan de katholieke eredienst. Het protestantse gezag stond dit toe, omdat de Cammingha’s een kapel op hun eigen erf hadden.

,,Vlakbij de gracht hebben we een paar interessante afvalkuilen gevonden. Die zitten boordevol vondsten’’, zegt Koopstra. ,,Het gaat bijvoorbeeld om zwanenbotten, die deel hebben uitgemaakt van een maaltijd.’’ Alleen machtige families aten vroeger zwaan, want zij hadden het zogeheten zwanenrecht. Koopstra: ,,We krijgen dus een kijkje in de keuken van de familie Cammingha.’’

Grachtbodem

Twee weken geleden dook in de grachtbodem een opmerkelijk lakenloodje op. Zulke stukjes metaal werden vroeger als kwaliteitsbewijs bevestigd aan de wollen lakens: hieruit werden mantels en jurken genaaid. Dit stuk lood bleek echter bizar groot en had het opschrift Leeuwarden met het jaartal 1644. Dat is bijzonder, want Leeuwarden behoort niet tot de bekende lakensteden zoals Haarlem en Leiden.

Toevallig of niet: in 1644 kreeg Leeuwarden inderdaad een lakenfabriek, ontdekte Klaas Zandberg van het Historisch Centrum Leeuwarden vorige week. De gemeente verkocht in dat jaar grond aan de zuidwestzijde van het Zaailand om ,,eene lakenweverij of draperie’’ te bouwen. 

De bekende stadshistoricus Wopke Eekhoff heeft het plan beschreven, zegt Zandberg. Naast de lakenfabriek aan het Zaailand verrees een textielververij. Verderop aan dezelfde straat kwam omstreeks 1645 nog meer stoffenindustrie.

Kortom: het staat dus vast dat Leeuwarden in 1644 een eigen lakenindustrie opbouwde. Zou de eerste fabrikant misschien een stuk demonstratielaken bij wijze van reclame aan de machtige familie Cammingha hebben geschonken met een enorm stuk sierlood? Het zou zomaar kunnen.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct