Jonge bomen voor het gebouw van Gedeputeerde Staten (Provinsjehûs). Het is een ingekleurde gravure van Carel Frederik Bendorp naar een tekening van Jan Bulthuis uit het begin van de negentiende eeuw.

Bouwen aan de stad: auteur Henk Oly dook in de Leeuwarder stadsarchieven

Jonge bomen voor het gebouw van Gedeputeerde Staten (Provinsjehûs). Het is een ingekleurde gravure van Carel Frederik Bendorp naar een tekening van Jan Bulthuis uit het begin van de negentiende eeuw. BRON HISTORISCH CENTRUM LEEUWARDEN

Van smalle stoepen tot drollen in de stadsgracht: hoe hield het gemeentebestuur Leeuwarden leefbaar toen er nog nauwelijks ambtenaren waren? Auteur Henk Oly zocht het uit.

Twintig jaar geleden spoelden veel Leeuwarder woonbootbewoners hun wc nog gewoon door naar de gracht. Vies? Ja, maar het kan erger: in de zeventiende eeuw belandde het overgrote deel van de Leeuwarder uitwerpselen in het openbare water. Huiseigenaren legden hiervoor een ,,uitloopend secreet’’ aan. Dit was een primitief toilet met een rioolbuisje dat in de gracht uitmondde.

De gemeente vond dit prima. Gezinnen die hun uitwerpselen en urine liever opspaarden in een ton, mochten die in de achttiende eeuw ,,rechtstreeks in de gracht legen. Dat moest wel na 11 uur ‘s avonds gebeuren’’, schrijft Henk Oly in zijn nieuwe boek Bouwen aan Leeuwarden . In die tijd werden ook gemeentelijke secreten aangelegd boven de grachten. Daar maakten armere stedelingen op grote schaal gebruik van, want zij hadden thuis geen toilet.

Het buitenwater stonk natuurlijk afschuwelijk. Bovendien belandde er zoveel poep, blad en ander afval in de grachten, dat ze dichtslibden. Wanneer bootjes er niet meer door konden, moest de gemeente te hulp schieten, want ook toen al losten burgers en bedrijven dit soort kwesties zelf niet op. De vuile bagger werd uit de gracht geschept en als vruchtbare ‘stadsmest’ hergebruikt om de stad op te hogen, bijvoorbeeld op het Zaailand.

Gemeentebesturen spelen al sinds de middeleeuwen een hoofdrol in de groei en inrichting van Friese steden. Tegenwoordig werkt er een batterij gemeentelijke medewerkers aan het plantsoenonderhoud, de aanleg van kaden, het onderhoud van wegen en de bouw van openbare voorzieningen. Maar hoe ging dat vroeger dan, toen er nog nauwelijks ambtenaren waren? Daar is weinig over geschreven.

Stadsarchieven

Henk Oly wilde er meer van weten en dook in de stadsarchieven van het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL), waarvoor hij al jaren als vrijwilliger werkt. Hij concentreerde zich op de periode van 1500 tot 1800. Zijn boek is deel van de Leeuwarder Historische reeks en vormde gisteren het afscheidscadeau voor vertrekkend directeur Harmen de Haas van stadsontwikkeling/fysiek beheer.

In de middeleeuwen en ook de periode daarna lag het stadsbestuur vooral in handen van rijke en machtige Leeuwarders. Zij kozen uit eigen kring een dagelijks bestuur, vergelijkbaar met hedendaagse wethouders. In de zestiende eeuw hadden een of twee van hen de functie van bouwmeester: ze stuurden bouwklussen en de ruimtelijke ordening aan.

Voor bouwopdrachten zochten zij contact met metselaars en timmerlui, die in gilden samenwerkten. Vriendjespolitiek was tot op zekere hoogte onvermijdelijk, maar het werd wel scherp in de gaten gehouden, blijkt uit het boek. Voor lastige klussen werden buitenstaanders aangetrokken. Denk bijvoorbeeld aan Jacob van Aken, die van verre werd gehaald om in 1529 de Oldehove te bouwen. Dat project liep helaas in de soep, want de toren zakte scheef.

loading

In de zeventiende eeuw ‘benoemde’ de gemeente allerlei specialisten, bijvoorbeeld een stadstimmerman, stadsmetselaar of stadssmid. Wie hierbij denkt aan een soort topambtenaren, vergist zich: het waren ondernemers, die een vast contract kregen om allerlei gemeentelijke klussen uit te voeren.

Voor bouwvakkers was Leeuwarden een geweldige plek tussen 1500 en 1650. Het kleine provinciestadje groeide uit tot een van de grotere steden van Nederland. De internationale handel en de landbouw floreerden. Oorlog bereikte de stad niet vaak en het gemeentebestuur bouwde dat het een lieve lust was.

De burgemeesters deden van alles om meer handelaren naar de stad te halen. Op de Nieuwestad bouwden ze bijvoorbeeld het Waaggebouw, waar goederen vanaf 1598 op betrouwbare wijze gewogen konden worden. Een paar jaar later lieten ze aan de westzijde van de stad een herberg bouwen voor reizigers die ’s avonds na sluitingstijd van de stadspoort bij Leeuwarden arriveerden.

Bouwwoede

Ondertussen moest er keihard worden gewerkt aan de uitbreidingen van de wallen als bescherming tegen oorlogen. Hier hoorde de bouw van weg- en waterpoorten bij. Ook betaalde de gemeente flink mee aan twee nieuwe torens, de tot mislukken gedoemde Oldehove en later de Nieuwe Toren in de Grote Hoogstraat. Nut hadden ze nauwelijks, maar ze gaven wel meer aanzien aan de stad.

De bouwwoede ging door tot halverwege de zeventiende eeuw, schrijft Oly. Daarna daalden de landbouwopbrengsten en was het gedaan met de bloei. Na 1700 bleef de stadsbevolking wel groeien, maar de inkomsten niet, waardoor een steeds grotere groep Leeuwarders in diepe armoede verkeerde.

De gemeente bouwde vanaf 1650 dan ook veel minder. Uitzondering was het nieuwe stadhuis, dat vanaf 1714 werd opgetrokken bovenop de kelder van een ouder gebouw (het Auckemahuis). ,,Dit zou het omvangrijkste en kostbaarste Leeuwarder publieke bouwproject van de achttiende eeuw worden.’’ Met dit gebouw spiegelde Leeuwarden zich aan het Amsterdamse stadhuis (tegenwoordig bekend als Paleis op de Dam.

Later die eeuw was het echter armoede troef, schrijft Oly: ,,De gemeente was uiterst zuinig op bestaande gebouwen. Nieuwbouw was een zeldzame uitzondering.’’

Naast bouwen moest de gemeente zich ook voortdurend bemoeien met openbare wegen en vaarwegen, om te voorkomen dat burgers en bedrijven anderen het leven zuur maakten. Niet voor niets schreef de stad al in 1530 ,,rooilijnen’’ voor aan grondeigenaren, om ervoor te zorgen dat de straten overal even recht en breed waren.

Mede-eigenaar van de straat

Vroeger waren woningbezitters vaak ook mede-eigenaar van de straat. Nog in de achttiende eeuw probeerden zij voortdurend stukjes van de weg voor eigen profijt te benutten: ,,Veel huiseigenaren, vooral die aan de belangrijkste straten, breidden hun woning uit met een stoep om er hun waren uit te stallen, hun bedrijf uit te oefenen of om er een zitbankje neer te zetten. Het overkappen van die ruimte met een luifel was gebruikelijk evenals het afzetten ervan met stoeppalen.’’

,,Anderen vergrootten hun woning met een pothuis, een kleine verdiepte aanbouw die vaak dienst deed als werkplaats of bergruimte. Ook kregen kelders onder de huizen soms een ingang door een luik dat schuin tegen de gevel stond of in het vlak van de straat lag. Dit alles leidde tot een flinke versmalling van de toch al beperkte verkeersruimte.’’

Handelaren en horecazaken probeerden van alles uit te stallen op straat. Om de openbare ruimte weer terug te geven aan wandelaars en koetsiers, hield de gemeente zo af en toe een grote opruimactie, net als tegenwoordig. Op dit punt is er dus weinig veranderd in de loop der eeuwen.

Markten mochten het verkeer ook niet blokkeren. De gemeente verordende in de zestiende eeuw dat markten alleen mochten worden gehouden op vastgestelde plekken, meestal op bruggen (pijpen).

Een bijzonder hoofdstukje gaat over bomen. Tegenwoordig hecht de Leeuwarder bevolking veel waarde aan groen. Economisch brengt het misschien niet veel op, maar bomen geven mensen wel een prettiger gevoel. Hoe zat dat vroeger eigenlijk?

De openbare ruimte in Leeuwarden bleef ,,lang grotendeels boomloos’’, met alleen bomen in particuliere tuinen, constateert Oly. Maar ,, vanaf de jaren 1630-’40 kwam daarin geleidelijk verandering en in de late zeventiende eeuw begon de stad zich intensief met de groenvoorziening te bemoeien.’’

De gemeente plantte geen bomen om er geld aan te verdienen, ,,maar ‘om den cieraet dezer stadt te avanceren’, zoals het in 1639 heette. Openbaar groen maakte het welvaren van de stad voor iedereen zichtbaar en verbeterde zo het vestigingsklimaat.’’ Er verschenen bijvoorbeeld bomenrijen bij het huidige Provinsjehûs, blijkt uit een afbeelding.

loading

Decoratie

Zeker in de achttiende eeuw wilde de gemeente bezoekers van de stad imponeren. De stadspoorten, die voor de verdediging waren gebouwd, kregen nu ook ,,een meer decoratieve vormgeving die voldeed aan de representatieve eisen die stadsbestuurders, stedelingen en bezoekers stelden aan een entree tot de stedelijke ruimte.’’

De gemeente hield zich vroeger ook bezig met zaken waar ze nu niets meer mee te maken heeft. ,,De gemeente was betrokken bij de huisvesting van de kerken. Dat vind ik heel bijzonder’’, zegt directeur Geart de Vries van het Historisch Centrum Leeuwarden, dat nauw bij de uitgave betrokken was.

De Nederduitse Gereformeerde Kerk fungeerde vanaf 1580 als een soort staatskerk en werd door de gemeente onder dak gebracht. Leeuwarden gebruikt hiervoor drie oude kloosterkerken: de Grote Kerk (afgenomen van de dominicaner monniken), de Westerkerk (van de begijnen) en de nieuwe Galileër Kerk (voorheen van de franciscanen). Ook allerlei verbeteringen in deze godshuizen werden door de gemeente betaald.

Het stadsbestuur toonde zich inventief met die kerken. De Westerkerk diende bijvoorbeeld een tijdje als tuchthuis, als gymzaal waar mannen leerden schermen en in 1643 als protestants godshuis. Veel later zou het in Leeuwarden bekend worden als Theater Romein. En nu? Nu zoekt de gemeente weer een nieuwe bestemming voor haar oude kerk in de Bagijnestraat. Sommige zaken veranderen niet.

Henk Oly, Bouwen aan Leeuwarden, Publieke werken tussen 1500 en 1800, Uitgeverij Noordboek, Gebonden, 22,90 euro.

home
net-binnen
menu