aquarellen van Christiaan Kuitwaard. Jantien de Boer

Wind, riet, wolken en nog zoveel meer: hét Friese landschap bestaat vooral in ons eigen hoofd

aquarellen van Christiaan Kuitwaard. Jantien de Boer

Misschien sprokkelt iedereen zijn eigen hoogstpersoonlijke typisch Friese landschap bij elkaar. We hebben immers alle keus. In die zin is een typisch Fries landschap misschien bovenal spiritueel. En nee, stop, geen paniek, we gaan niet zweven. Of nou okee, een beetje.

,,Wat is voor jou een typisch Fries landschap?’’, vroeg ik laatst aan een vogelman. Hij antwoordde dat hij aan groene landerijen dacht en aan jagende luchten en aan zichzelf in de weidse vlakte. ,,En dat het dan lijkt alsof ik alleen op de wereld ben.’’

Vlak daarvoor las ik een interview met Maxim Februari. ,,De mens is geen datasetje maar maakt deel uit van het universum’’, zei de schrijver-filosoof. ,,We zijn deel van een groter geheel.’‘

Ik humde instemmend. Niet alleen de mens, dacht ik, maar ook het landschap is veel meer dan een datasetje alleen.

In mijn keuken hangt een schilderij van wijlen Els Hupkes, de echtgenote van Ferdi Elzas, die in 1987 Gerrit-Jan Heijn ontvoerde en vermoordde. Ze schilderde een heuvelachtig landschap met bomen en links onderin een vriendelijk, scheef, groot huis, met roede-verdeelde ramen.

Het is een lief schilderij dat geborgenheid uitstraalt en als ik er naar kijk ontroert het me omdat ik weet wie het heeft gemaakt. Toen een arrestatieteam haar man oppakte, werd ook Els Hupkes met een zak over haar hoofd uit huis gevoerd. Het leek alsof er middenin de nacht een bom ontplofte, schrijft ze in haar boek De Kleine Britt .

Het hele gezin werd uit bed gesleurd. In alle kamers van het huis liepen mannen in het zwart. En een paar uur later hoorde Els in een cel, gekleed in een plastic overall, dat ze werd verdacht van medeplichtigheid aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en zware mishandeling met voorbedachte rade.

Net als haar kinderen had ze geen flauw benul dat Ferdi de ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn was. Haar zoon zei jaren later dat hij tijdens de verhoren, toen hij hoorde wat zijn vader had gedaan, in een dichte mist was weggezakt waar hij niet meer uit kon komen.

En lang na die oerknal schilderde Els dus dat veilige huis in een heuvellandschap. In mijn ogen is het veel meer dan gewoon een landschappelijk datasetje met een bosje en solitaire bomen en landerijen in verschillende schakeringen groen. Ik zie een toevluchtsoord, ik voel kalmte.

loading

Datasetjes

En zo denkt iedereen ook het zijne over het Friese landschap dat natuurlijk niet gewoon één typisch Fries landschap is. Het stikt hier werkelijk van de datasetjes. Neem alleen al de Waddenzee en het coulisselandschap in De Noardlike Wâlden met boomwallen en elzensingels en koeien in knusse, beschutte weilanden. Van daaruit rijd je zo naar het open, winderige terpenland achter de dijken en dan weer terug naar de meren, de kliffen, de heidegebieden en de bossen.

Friesland bestaat uit heel veel landschappen, misschien is dat juist typisch Fries, maar mijn hoogstpersoonlijke Friese land is toch het open land. Het laaggelegen waterland, met zeiltjes die langs de horizon scheren. Ik ben acht, zit aan het roer in een zeilboot en ben bang dat ik op ramkoers lig met een zestienkwadraat in de verte. ,,Geen zorgen’’, zegt mijn vader die mij leert zeilen. ,,Kijk maar naar het baken op de wal.’’

Ik tuur naar de positie van de zestienkwadraat en het rode driehoekje aan de horizon. De boot schuift er langzaam voorbij. ,,Zie je wel’’, zegt mijn vader. ,,Dat betekent dat we niet botsen. Hij gaat straks voor ons langs.’’

De theorie heet de aanvaring-peiling, weet ik nu. Ik herinner me het spattende schuim, het baken in de verte, het geklapper van het zeil, het roer in mijn zweethanden en de Goïngarijpster Poelen waarop mijn overgrootvader, bakker te Sneek, in de jaren dertig van de vorige eeuw ’s middags na het werk al zeilde. Als hij even rust hield, zette hij thee met een keteltje water uit het meer.

Misschien sprokkel je onbewust landschapsbewustzijn in je jeugd. Bij harde wind en grijze schuimkoppen op woelig water denk ik aan mijn broer en ik, in onze roeiboot. Staand op de bodem hielden we vuilniszakken in de lucht, die ons terug naar lager wal bliezen.

In de herfstvakantie gingen we surfen, in strakke, rubberen wetsuits. Als we vielen stak de kou er als een mes doorheen. Friesland was riet, gras, wind en water en bij tijd en wijle proefde je gevaar.

Soms waren de meren ineens ongenadig en verdronken er mensen en soms ook zagen we op zoele zomeravonden vanuit de kuip van onze zeilboot een oranje gloed aan de horizon. Hooibroei kon boerderijen in vlammen doen opgaan, leerde ik. Onderin de boot, in de hondenkooi, huiverde ik bij de gedachte aan stiekem, smeulend hooi dat even eerder, tijdens de ‘ȗngetiid’ oftewel de oogstperiode nog zo feestelijk was binnengehaald.

Het landschap is meer dan een dataset. Veel meer dan een boompje hier, een poel daar, en de scheve dampalen van een overbodig geworden hek in de verte. Het zwiept je terug naar lang geleden, of juist naar ‘de kracht van het nu’. In de zomerbijlage van dagblad Trouw noemde een yogalerares de waddeneilanden deze maand nog heel modern ‘krachtplekken’, oftewel ‘grote spirituele vindplaatsen’.

Misschien bedoelde ze dat mensen zich, met hun tenen in het zand en de blik naar de zee gewend, onderdeel voelen van dat belangrijke geheel waar Maxim Februari het in het begin van dit verhaal over had.

loading

Cultuurlandschap

In 2010 werd Friesland door de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap uitgeroepen tot het ‘mooiste cultuurlandschap van Nederland’. Matthijs Schouten, ecoloog en huisfilosoof van Staatsbosbeheer, sprak tijdens de prijsuitreiking over het belang van historische landschappen.

Jaren geleden was hij met studenten op veldtocht in de Burren, een oeroud uitgestrekt landschap in Ierland. Er was ook een verveeld meisje bij. Zeldzame bloemen noemde ze ‘plastic’. Ze liet zich nergens door betoveren tot ze op een rij stenen ging zitten en Schouten haar vertelde dat ze op een 4500 jaar oude muur zat. De volgende dag zei ze dat ze het zo ‘cool’ had gevonden. In haar verbeelding had ze het oude dorp in het oude landschap gezien. Ze was aangeraakt geweest door iets groters.

Ik las het en dacht aan de Grienedyk, de oude dijkweg tussen Firdgum en Minnertsga die rond het jaar 1200 werd opgeworpen om de Middelsee te keren. De dijk ligt nog altijd hoog in het landschap. In de zomer is het er lieflijk, in de herfst en winter blaast de wind er keihard in je oren.

Zevenhonderd of achthonderd jaar geleden was ik vast en zeker al jong aan ontberingen overleden, maar nu fiets ik er op mooie dagen overheen. De Griene Dyk is veel ouder dan wij. Op de Griene Dyk voel ik me een pluisje in de tijd. En zo koestert iedereen zijn eigen, persoonlijke Friese landschap.

,,Is niet de relatie met onze omgeving een van de meest intieme die we in ons leven kunnen aangaan?’’, schrijft directeur Bert Looper van het Friese archief Tresoar in zijn voorwoord bij het boek ‘ Ienkennich lânskip, eenkennig landschap ’ van dichter en schrijver Eppie Dam en fotograaf Gijs Dragt.

Het boek eert het riet, het bouwland, een boom langs een sloot, een veengat, zwarte elzen, gele plompen en grauwe wilgen, maar het is ook scherp. Want de weilanden hebben nu de kleur van ‘gamma-latex’. ,,De kleur ferkeapet himsels’’, schrijft Dam. ,,En weiland moet zijn naam bevechten op een groene vorm van migraine’’, oftewel ,,- en greide befjochtet syn namme op in griene foarm van migrêne.’’

Twee jaar geleden al kwam het boek uit en de controverse over de kleuren en geuren van het land is na alle trekkerprotesten van de afgelopen maanden alleen maar scherper geworden. Het landschap staat onder druk. En nee, niet alleen van de boeren maar van ons allemaal.

Niet voor niets pleitte rijksbouwmeester Floris Alkemade vorig jaar voor een ‘new deal’ tussen boeren en de maatschappij. Samen met het college van rijksadviseurs maakte hij het vergezicht Panorama Nederland, met plaatjes van koeien in nat laag sappig gras en zonnepanelen op daken in plaats van in de weilanden.

Het is een plan waar je met goed fatsoen eigenlijk niet tegen kunt zijn, maar gek genoeg wordt het al links en rechts door de werkelijkheid ingehaald. Overal schieten zonneparken, windmolens en datacenters de grond uit en ondertussen moeten we trots zijn. Trots op groene energie die onze eindeloze honger naar elektriciteit stilt. Trots op de werkgelegenheid. Trots op ons land dat de wereld voedt.

loading

Brij van windmolens

Arm landschap. Als je vanuit Leeuwarden richting Bolsward rijdt verspert een brij van windmolens het zicht op de stad en we zijn er nog lang niet. Vorig jaar hoorde ik een planoloog in Den Haag zeggen dat alle Nederlandse windturbines bij voorkeur in de zogenaamd ‘kansrijke gebieden’ moeten worden neergezet.

Ik schrok wakker. Want die kansrijke gebieden, waar het bijna altijd waait, liggen in Friesland, Groningen, Drenthe en Zeeland. En ja, zo’n concentratie van molens aan de randen van Nederland zou best eens opschudding onder de bevolking gaan geven, zei de planoloog. Om te voorkomen dat de periferie een ‘wingewest’ voor de Randstad zou worden, dienden de windrijke regio’s daarom te worden gecompenseerd.

Met spiegeltjes en kraaltjes zeker, dacht ik bitter.

Filosoof en oud-directeur van het Wereld Natuur Fonds Johan van de Gronden maakt zich al jaren kwaad over het typisch Nederlandse nuts-denken dat het landschap bedreigt. In 2014 zei hij dat landschappen blijkbaar alleen tellen als je er in kunt wandelen, of fietsen, of varen, of er anderszins geld mee kunt verdienen.

Nooit mag iets er gewoon zijn. Dat er ook vogeltrek-routes lopen door de kansrijke windgebieden op zee en op het land? Jammer dan. De industrie vreet stroom en ook onze elektrische fietsen, waarmee we deze corona-zomer Nederland herontdekken, moeten nu eenmaal worden opgeladen.

Twee weken geleden nog maakten onderzoekers van de Wageningen Universiteit bekend dat de sterfte onder vogels door windmolens zwaar wordt onderschat. In de besluitvorming wordt daar veel te weinig rekening mee gehouden.

In feite is het natuurlijk weer het oude liedje. We gaan voorbij aan alles wat er onder onze neus kapot wordt gemaakt, maar we maken ons wel druk over stropers in Afrikaanse natuurparken.

In 2015 bracht het Wereld Natuur Fonds samen met verschillende soorten-organisaties het eerste Living Planet Report voor Nederland uit waarin de toestand van onze nationale natuur in kaart werd gebracht.

Er waren bijna geen lichtpuntjes. Of zoals Johan van de Gronden destijds zei: ,,Op het Nederlandse platteland is het zo’n bende dat er op termijn economisch noch ecologisch garen bij valt te spinnen.’’

loading

Achteruitgang

Ook het nieuwste rapport, uit februari dit jaar, laat vooral dalende cijfers zien. Over de hele linie namen alle dier-populaties in heel Nederland sinds 1990 met 15 procent af. En in het agrarische land en in open natuurgebieden zoals heidevelden ging het met een achteruitgang van 50 procent nog veel slechter.

En ja lezer, ik hoor u morren. Ik begon dit verhaal toch met een lofzang op de meren. Op de Griene Dyk? Op de Wadden? Op het coulisselandschap in Noardeast-Fryslan?

Friesland is mooi. Maar het landschap is als een huis waaruit de bewoners worden verdreven. De grote sterke gebruikers zijn er nog steeds. Dat zijn wij mensen. Maar zo langzamerhand maken we wel heel veel op. De koelkast raakt al aardig leeg.

Dit voorjaar verscheen het boek Veldwerk , van dichter Jan Kleefstra en kunstenaar Christiaan Kuitwaard over het verdwijnen van de biodiversiteit in de Friese natuur.

Minstens een keer in de veertien dagen trokken de makers erop uit. Jan Kleefstra noteerde alle geluiden, Christiaan Kuitwaard ving het landschap in waterverf. ,,Er moet iets gebeuren’’, zegt Kuitwaard in de inleiding. ,,Wij kunnen en willen niet leven in een omgeving waar geen plaats is voor andere aardbewoners naast onszelf en onze landbouwdieren.’’

Er is heus nog schoonheid, vindt Jan Kleefstra, maar die wordt wel bedreigd. En misschien helpt het, noteert hij, als we gaan nadenken over de gevolgen van ons handelen voor de aarde en de dieren en alles wat leeft.

In Nieuw Zeeland heeft de Whanganui-rivier bij wet het recht gekregen om rivier te zijn, vertelt hij in het boek. Eigenlijk is het natuurlijk idioot dat je zoiets vanzelfsprekends in een contract moet vangen. Maar blijkbaar moet het. En met Veldwerk leveren de makers een schreeuw om respect voor het Friese landschap af.

Op 23 april 2018, om kwart over acht ‘s avonds zitten de mannen bij buurtschap Soarremoarre. Het land ligt er ,,moe en zwijgend bij’’, noteert Kleefstra. ,,De vijftig liederen van de veldleeuwerik zijn haar wijs gemaakt. Grutto’s balanceren hoog boven de gestaag wegkwijnende weideklanken. Zo klinkt de koning die niet vergeten wil worden.’’

Ik blader terug naar de inleiding van het boek. Naar de woorden van drs. A. A. M. Brok, onze commissaris van de koning die schrijft dat de veldleeuweriken, ,,die minstens vijfduizend jaar in ons landschap hebben gezongen’’ nu bijna zijn verdwenen. ,,Als we willen dat het weer de goede kant op gaat, moeten we allemaal ons steentje bijdragen.’’

Mooie woorden.

Maar een paar maanden geleden nog schoof de gemeente Waadhoeke de bescherming van het landschap op de lange baan. Eindelijk, eindelijk, eindelijk zou er vaart mee gemaakt worden, maar op het laatste moment toch weer liever niet omdat het gebied rond Franeker en Harlingen eerst herverkaveld moest worden. De gebruikers van het gebied hadden geen belang bij restricties. Het nut was weer eens leidend.

Pijnlijk

Pijnlijk is ook het verhaal van de Pingjumer Gulden Halsband, de oudste binnenringdijk van Friesland, die dik duizend jaar geleden werd aangelegd om de bevolking op zeven terpen tegen het water te beschermen. Tot 1892 deed de dijk dienst als zeewering, daarna werd hij deels afgegraven.

Jarenlang vochten de inwoners van Pingjum voor een beschermde status van de restanten waar nu een wandelroute langs loopt. Nooit eerder in Nederland was een dijk tot monument verklaard, maar vorig jaar oktober was het eindelijk zover. Niet alleen de dijk, die in gure natte tijden met bloed, zweet en tranen werd opgeworpen, maar ook de polders en weilanden er omheen werden voor de toekomst bewaard.

,,Uniek’’, jubelde de Friese afdeling van de erfgoedvereniging Heemschut. Mogelijk zouden andere bedreigde, gave, eeuwenoude dijkjes in Friesland nu ook beschermd kunnen worden.

Eind goed, al goed. Maar begin dit jaar bleek dat een deel van de Pingjumer Halsband bij nader inzien niet meer tot monument kon worden verheven. Het stuk was plat geschoven door een boer die last had van de welvingen in het land. In 2015, toen de gemeente ter voorbereiding op de monumentenstatus de dijk in kaart bracht, was het dijkdeel er nog. Maar in de aanloop naar de monumentenstatus werd het vernield.

Het kon en het mocht. Destijds was de dijk immers nog geen monument. En zo wordt de geschiedenis op veel meer plekken in Nederland uitgewist. Geen haan die ernaar kraait. Niemand die zegt dat de boer de glooiingen van de Gulden Halsband maar weer moet herstellen. Weg is weg.

Misschien zijn we wel afgestompt.

loading

Laatst keek ik vanaf een bovenverdieping naar een rij tuinen in een nieuwbouwwijk. Ik zag strak betegelde achtererven waar driehoekige doeken boven waren gespannen voor de broodnodige schaduw. Bijna overal stond een barbecue op wielen en voor de afwisseling hadden sommige bewoners een bloemenposter of een plaatje van een tropisch strand aan hun schutting geprikt.

Het was hoogst onderhoudsvriendelijk allemaal. Ik kreeg er dorst van.

Ik snap dat het fijn is om een tuin te hebben waarin alles onder controle is. Maar ik kan me ook voorstellen dat het prettig is om in een decor te vertoeven dat je niet kunt aanvegen omdat het groter is dan jijzelf. Eigenlijk denk ik dat we daar vaak naar zoeken.

Ik herinner me een bloedhete zomermiddag, twee jaar geleden, onder een boom bij de sloot. Aan de andere kant van het water lag een haas. Hij hield zijn oren plat en dacht dat hij, met zijn kin en buik diep in het gras, onzichtbaar was. Het was doodstil. We waren twee wezens in een landschap dat trilde van de hitte. Twee onderdeeltjes in een groot, zinderend geheel.

Als de haas er niet had gelegen had ik me die middag vast niet meer herinnerd. Maar ik weet het nog omdat hij er lag. Een levend, ademend, wild deeltje in de dataset van het landschap.

Wolken

Maar was het wel Fries? Wat vinden anderen eigenlijk typisch Fries? Ik vroeg het maandag aan Christiaan Kuitwaard toen ik hem belde omdat ik graag een van zijn waterverven als illustratie bij dit verhaal wilde hebben. ,,Wolken’’, zei hij. ,,Ik vind wolken typisch Fries.’’

Ik bladerde in Veldwerk en las nog eens wat Jan Kleefstra over Soarremoarre schreef. ,,Als ik mijn hoofd iets achterover buig rest er bijna geen grond meer. Alleen de aandoenlijkheid van wolken houdt mijn taal nog bezig.’’

Wolken ja. Riet. Plat land waarover de storm vanaf zee komt aanrollen. Op 9 februari vorig jaar nam ik het geluid ervan op. Onder het dak van de schuur hoorde je de wind suizen en razend aanhalen. Het leek bijna alsof het huis met alles erin elk moment kon opstijgen.

Een typisch Fries landschap is denk ik een landschap van de zintuigen. Weids, ruim, lieflijk, onheilspellend, altijd wind tegen en nu en dan een natte poot.

Afgelopen weekend reed ik vanuit Rotterdam terug naar Friesland. Ik probeerde te kijken met de ogen van een buitenstaander. Al op de Afsluitdijk zag ik het kerktorentje van Cornwerd. Ik zag het water, de grijze lucht en even verderop schapen op een strak afgekloven dijk. Ik passeerde een ingestorte schuur, keek naar de toren van de Grote Kerk in Harlingen en boven dat alles dreven grote witte wolken. Op een of andere manier vond ik het allemaal typisch Fries. Ik was ehmmm, mja, thuis.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct