Foto

Wat is typisch Fries en wat niet? Wat moet je als import doen om ooit een echte Fries te worden?

Foto LC

Wat is typisch Fries en wat niet? LC-redacteuren buigen zich deze zomer in de serie Typysk Frysk over die lastige vraag. Cultuurredacteur Kirsten van Santen, antropoloog en import, duikt bij de aftrap in haar eigen leven: wat moet ze doen om ooit een echte Fries te worden? Fries zijn is een gevoel, een constructie, iets vloeiends. Van water en bootjes houden, van rust en ruimte, van de greiden en de seedyk, van de brede horizon.

Nu ik meer dan de helft van mijn leven in Friesland woon, maar me nog steeds niet ‘typisch Fries’ voel of als zodanig word gezien, is het tijd om eens onverbiddelijk naar mijn leven te kijken. Doe ik wel genoeg mijn best?

Kort nadat ik eind jaren negentig van de vorige eeuw (!) een vast contract bij de krant kreeg, moest ik bij toenmalig adjunct-hoofdredacteur Sybe van der Meulen komen. Wie bij de LC werkt, moet Fries kunnen, gaf hij me te verstaan. Dat had ik weleens gehoord, maar ik had er verder nooit grondig over nagedacht. Dus hup, naar Terschelling, voor een cursus Frysk van de Afûk op de Folkshegeskoalle Skylgeralân.

Voordat ik het wist, zong ik – 21-jarige backpacker die door Nieuw-Zeeland en de Rocky Mountains had getrokken – uit volle borst het lied Rizende simmermoarn . Wat bistû leaflik, rizende simmermoarn! ’t Opgaande sintsje laket my oan. En: Protters dy’t tsjotterje, eksters dy’t skatterje. Alles is fleurich, ik bin it mei!

Het voelde eerlijk gezegd nogal potsierlijk. Mijn hart voor het Fries ging er in ieder geval niet per se sneller van kloppen. De avonden in café De Groene Weide waren een stuk interessanter. Maar de volgende ochtend, mijn hoofd nog nazoemend van een woeste nacht, vroeg ik juf Sjoerdtsje (kort kapsel, parelketting, stevig schoeisel) bij het ontbijt braaf om de pot nútsjesmoar .

Openhartiger

Jaren later. Aan de telefoon een oudere vrouw die overduidelijk Friestalig is. Ik hoor dat ze haar best moet doen om Nederlands te praten, dat het Fries haar vermoedelijk makkelijker valt. Dat ze dan ook openhartiger zal zijn. Ik kijk snel om me heen. Iedereen is druk bezig. Om me heen klinkt een bedrijvig geroezemoes, precies zoals het hoort, op een redactie. Nu kan het wel, denk ik. Dus zeg ik, haast fluisterend: ,,Jo kinne wol Frysk tsjin my prate, hear.’’ Dan gebeurt dat merkwaardige wonder weer. Om me heen wordt het ineens muisstil. Mijn collega’s zwijgen, ik zie ze nog net niet hun oren spitsen. Van Santen spreekt Fries! Nou, nou! Tjongejonge! En dan durf ik al niet meer.

Een zomer, ergens aan het begin van deze eeuw – misschien was het 2001, misschien 2002. Ik heb mijn eerste en enige verkering met een echte Fries. Nou ja, ‘echt’, dat weet ik niet zeker: H. is een geadopteerde Koreaan uit een dorpje aan de Waddenzee. Hij ziet er misschien minder als ien fan ús uit, maar als we tijdens een weekeinddienst het erf van een oude boer in Gaasterland op lopen, moet ik het doen met een bijrol. Zodra H. Fries begint te praten, wordt hij omarmd. Ik, Nederlandstalige, blijf een buitenstaander. Ik zie de boer argwanend naar me kijken. Hollandse vrouw, hoog op de benen, bekakte ‘r’. Nee, dan liever die gesellich Fries keuvelende Koreaan.

loading

Een paar jaar geleden. We overleggen over de klussen die de cultuurredactie deze week moet klaren. Rients Gratama wordt 80 – daar moeten we wat mee. Ik spring op, want Rients, voor hem heb ik een enorme zwak. En dat is nog een understatement. ,,Dat doe ik wel’’, zeg ik gretig en noteer de klus al op mijn to-do-lijstje. Collega S. kijkt me verbaasd aan en schudt zijn hoofd. ,,Nou, eh … Rients, die kun jij toch niet doen?’’, zegt hij. ,,Die is hartstikke Friestalig!’’ Maar ik zet door en Rients maakt het allemaal geen bal uit. Het wordt een mooi interview.

Een paar maanden geleden zit ik te peinzen over een onderwerp voor mijn column en ik zeg tegen collega J. dat ik misschien maar iets ga schrijven over Friese les op school. Mijn kinderen zijn in Leeuwarden geboren, ik kom oorspronkelijk uit Utrecht en hun vader uit het Westland, dus we doen er thuis niet veel aan. Ik opper dat voor dit soort kinderen, stads en met importouders, Friestalig onderwijs niet per se nodig is. Dat ík dat niet per se nodig vind. Mijn collega haalt uit. ,,Dat kan je echt niet opschrijven hoor. Dat kan echt niet wat je zegt!’’

Ik zie dat hij kwaad is. Of nou, op zijn minst geërgerd. Ik heb iets verkeerds gezegd.

Ik blijf

Onlangs, op een verjaardagsfeestje in de Randstad, is het weer zover. Flauwe grappen over Friesland. Over Blokkeerfriezen, stijfkoppigheid, dat het hier saai zou zijn. Ik voel me genoodzaakt me te verdedigen. ,,Kom je niet meer terug dan?’’, vraagt iemand bezorgd. Mijn moeder begint meteen verheugd te kijken. Zou het dan, eindelijk, toch nog? Krijgt ze haar dochter terug? Ik woon hier meer dan de helft van mijn leven – ik kwam in Leeuwarden wonen toen ik 21 was en ben nu 45. In het Westen heb ik niets meer, in het Noorden is alles. Maar nog steeds wordt die vraag me gesteld. ,,Nee’’, zeg ik onverbiddelijk. ,,Ik blijf.’’ Mijn moeder slaat haar ogen neer.

Nog een laatste voorbeeld. Twee jaar geleden voer ik in een bootje achter ultra-zwemmer Maarten van der Weijden aan. Het was zijn eerste poging om de Elfstedentocht zwemmend af te leggen. Wat klein begon, ontpopte zich als een mega-event. Ik twitterde erop los, duizenden mensen lazen mee. Langs de kant riepen mensen mijn naam. Dat nam toe toen we door mijn lievelingsgebied voeren: het Bildt.

loading

Het kan de vermoeidheid zijn geweest, of ik viel ten prooi aan een zekere vorm van massahysterie, maar ik keek vanaf mijn bootje naar de oevers, vol riet en mensen, trekkers en koeien, kinderen en spandoeken, boerderijen en watervilla’s en ineens schoot ik vol. We voeren door Alde Leie en ik raakte overmand door een of andere emotie. Iets in de trant van: hier wil ik bij horen.

Identiteit, het blijft een lastig onderwerp. Kan je het aan- of uittrekken als een jas? Word je ermee geboren en kom je er nooit meer helemaal van af? Moet je identiteit koesteren of mag je er een beetje minzaam over doen? Omdat ik meer dan de helft van mijn leven in Friesland woon, mag ik me dan een Fries noemen? Of blijf ik import?

Als ik even vrijuit mag spreken – een Randstedeling ben ik niet meer, vind ik zelf. Alleen al hoe ik er uitzie – sportief, vlot gekleed, maar niet bepaald superhip. Als ik bij mijn Amsterdamse zusje en haar vrienden ben, voel ik me een soort natuurmens. Authentiek, noemen de Amsterdammers me. Hoe ik tegenwoordig autorijd, vind ik ook typisch Fries. Rustig en niet zo gejaagd als ze in Amsterdam en Den Haag doen.

Ik ben ook geneigd om iedereen die ik tegenkom te groeten. En ik claim weinig ruimte. Ben bescheiden. Dring me niet op. Ach nee. Wat een onzin. Ook ik ben gestrest. En soms groet ik niet. Dan ben ik bars en onbehouwen. En ik neem juist heel veel plek in. Dus vergeet het bovenstaande maar weer. Klopt niet.

Taal is cultuur

Ik gooi het nog eens over een andere boeg. Mijn docent Henk van Dijk op de universiteit Utrecht waar ik culturele antropologie studeerde (de leer van de mens in zijn culturele hoedanigheid), had een nuchtere kijk op cultuur en identiteit. ,,Taal is cultuur’’, zei hij. ,,En daarmee uit. Taal bepaalt hoe we de wereld zien, hoe je erover praat, hoe je je voelt en denkt.’’

In dat opzicht, denk ik weleens, blijf ik buiten de Friese cultuur staan. In mijn eentje, in de gure wind. Want ik spreek – foei! na al die jaren! – nog steeds geen vloeiend Fries. Ondanks de Afûk-cursus. Ik versta het overigens wel.

Ik snap dat ik met mijn niet-Fries spreken mijzelf enigszins buiten de Friese identiteit plaats, zeker in de ogen van wel-Friestaligen. Identiteit is vaak iets dat je van buitenaf krijgt opgelegd, iets dat anderen aan je toeschrijven – of je wilt of niet, zo werken sociale processen nou eenmaal. Maar, ik zal het maar eerlijk zeggen, toch voel ik me ook Fries. Terwijl mijn wieg hier niet stond, mijn school evenmin en in mijn stamboom ontbreekt het kleinste druppeltje Fries bloed.

Als ik terugkijk op twee decennia in Friesland, twintig bepalende jaren waarin ik een baan kreeg, trouwde, moeder werd, een huis kocht – kortom: jaren waarin ik me settelde en nestelde – dan is de rode draad in deze periode dat ik heen en weer werd geslingerd tussen enerzijds erbij horen en anderzijds buiten de groep staan. Soms kwam dat door mijn eigen toedoen, soms door toedoen van buitenaf.

Zijn mijn hier geboren kinderen Fries? Is taal de enige sleutel?

Ik denk weleens: hoe fijn moet het zijn als je dat heen en weer geslinger niet hebt. Als je uit Blije of Workum komt, Fries bent, punt, uit. Als je eilander bent en dat altijd zult blijven. Als vele generaties voor je al op ’e pleats woonden en jij nu ook. Maar helaas, zulke imposante wortels heb ik niet. En aan mijn verleden kan ik niets veranderen. Ik kom uit de provincie Utrecht en heb geen Friese voorouders.

Kan ik dan toch nog Fries worden? Zijn mijn hier geboren kinderen Fries? Is taal de enige sleutel? Moet ik op herhaling bij de Afûk? Is dat genoeg? Ben ik dan Friezin? Moet ik bij de kaatsclub? Fierljeppen leuk vinden? Net doen of skûtsjesilen me interesseert? Of ieder jaar meedoen aan de betinking fan de Slach by Warns? De Slachte lopen?

Zal ik al het werk van Gysbert Japicx, Aggie van der Meer, Abe de Vries én Rink van der Velde lezen? Moet ik misschien vogelaar worden? Van de grutto gaan houden? Meedoen aan een iepenloftspul? Tegen windmolens zijn? In een dorp gaan wonen en dan meehelpen met het versieren der praalwagens? Deel uitmaken van de mienskip? Secretaris van de wijkvereniging worden? Is het dan genoeg?

Hoe meer dingen ik aan deze lijst toevoeg, hoe bespottelijker het wordt. Zodra je probeert te zeggen wat ‘typisch Fries’ is, is het dat juist nét niet. Ik moet denken aan een spreuk van de Chinese wijsgeer Lao Zi, waarmee mijn vader vroeger altijd kwam aanzetten als het over moeilijke dingen ging. ,,Tao. De naam die genoemd kan worden, is niet de eeuwige naam.’’

De Tao (natuur, kosmos, alles bij elkaar) bestaat wel maar is niet direct te omschrijven. Dat zou ook voor de Friese identiteit, of voor welke andere identiteit dan ook, kunnen gelden – je kunt het wel proberen en je komt ook wel in de buurt, maar volledig is het nooit.

loading

‘Regionale identiteit is een constructie’, schrijft historicus Marcel Broersma. En het zijn de media die voortdurend aan die constructie, een verbeelde gemeenschap, bouwen en sleutelen. De Leeuwarder Courant heeft daarin van oudsher een belangrijke rol gespeeld. Maar de wereld is complexer geworden: overkoepelende identiteiten verdampen. De samenleving raakt gefragmenteerd en daarmee worstelt iedereen, ook de krant zelf.

En het gaat niet goed met de Friese taal. Er wordt minder Fries gesproken en op school is het een ondergeschoven kindje, stellen bezorgde taalactivisten. Zij wijzen op het recht om Fries te spreken, want immers: het is een rijkstaal. Meneer Van Dijk van de universiteit zou ook bezorgd zijn, want zonder taal verdwijnt een groot deel van de cultuur, zo leerde hij mij. Hoe meer talen, hoe beter. Leve de diversiteit! Pas op voor de monomane cultuur!

Maar er is hoop.

Vorige maand was ik bij het afscheid van Ira Judkovskaja van Tryater. Deze Russin, die met haar moeder en oma in de jaren 90 als asielzoeker naar Nederland kwam, stond 12,5 jaar aan het roer van het Friestalige gezelschap. Eerst bestierde ze Tryater samen met zakelijk leider Siart Smit (import), inmiddels is dat Valentijn Fit (import). Drie niet-Friezen leidden Tryater de ‘culturele basisinfrastructuur’ in, de eredivisie van de kunsten. Tijdens het afscheid, waarop Ira werd geridderd door commissaris Arno Brok (eveneens import), deden Smit en Fit moeite om Fries te spreken, maar schakelden – met excuses – over op het Nederlands. Ik keek en luisterde en zag het licht: de Friese taal en cultuur blijken gedragen te kunnen worden door iedereen. Ook door-niet-Friessprekende nieuwe import-Friezen!

Lees ook PREMIUM | Artistiek leider Tryater Ira Judkovskaja neemt afscheid: een hart dat klopt voor theater

De laatste jaren komen er meer jonge kunstenaars uit Amsterdam naar Leeuwarden om theater en muziek te maken en om Friestalige toneelteksten te schrijven. Sommigen zijn geboren en getogen in het Westen, anderen zijn Friezen die terugkeren omdat hier, onder meer door Tryater, een interessant klimaat is geschapen. Ze staan met een been in de Randstad, met de andere in het heitelân. Dat is mooi. En het is misschien wel ontzettend, ongelofelijk typisch Fries om open te durven staan voor invloeden van buiten en tegelijk zo goed uit te kunnen leggen wat er ‘hier’ zo bijzonder is, zodat nieuwkomers geïnteresseerd raken.

‘Gemengd zijn’ is wat verreweg de meeste mensen bepaalt, schrijft antropoloog en commentator Stephan Sanders in de Volkskrant in december 2018. Hij las het werk van de Amerikaanse filosoof Anthony Kwame Appiah: The lies that bind. Rethinking Identity. Kwame Appiah stelt daarin dat identiteiten vloeiend zijn en dat ‘al die grote identiteiten leugens zijn.’ We blijven ons van etnische constructies bedienen om ons niet alleen te voelen en omdat ze een politiek doel dienen. Daar is op zich niets mis mee, schrijft hij, zolang je je identiteit maar ‘vederlicht’ draagt.

Vederlicht. Zo draagt uitgever Steven Sterk zijn identiteit in ieder geval wel. Journalist Erik Betten interviewde hem voor zijn interessante boek: De Fries, op syk nei de Fryske identiteit, dat in 2013 verscheen. Ik leende het uit de Leeuwarder bibliotheek – zo te zien was ik de eerste lezer. Het boek was nog als nieuw.

Steven Sterk zegt hierin dat hij zich een ‘kosmopolitische plattelander’ voelt. Hij beweegt heen en weer tussen lokaal en internationaal, en haalt een wijsheid van de Sioux-indianen aan. Die zeggen, als ze gevraagd wordt wat wel of niet typisch Sioux is: ‘Men is Sioux als men zich Sioux voelt’. Sterk: ‘As men jin ferbûn fielt mei de minsken om jin hinne, mei dit hoekje fan de ierde. Guon dy’t hjir al desennia wenje, ha dat noch altiten net. Oaren komme hjir en fiele har nei in pear wiken hielendal thús.’

Iets vloeiends

Fries zijn is een gevoel, net als Sioux zijn. Een constructie. Iets vloeiends. Iets waarbij taal een grote rol speelt, maar wat ook buiten de taal kan bestaan. Laten we daarbij vooral het landschap niet vergeten. Hoogleraar Friese taal en letterkunde Goffe Jensma heeft daarop herhaaldelijk gewezen: dat opvattingen van identiteit tegenwoordig verschuiven van taal en geschiedenis naar het landschap. Typisch Fries is van water en bootjes houden, van rust en ruimte, van de greiden en de seedyk, van de brede horizon.

Ook import-Friezen hebben toegang tot deze categorie. Dat herken ik wel. Ik heb het met het Bildt, met Zwarte Haan, met de dikke kluiten klei die ’s winters in de regen liggen te glimmen. Daar voel ik iets bij.

Ik voel me geen typische Fries en ook geen Bilkert, geen import en geen Randstedeling. Ik voel iets kleins maar fonkelends binnenin me. Dit is thuis. Of nou ja, dit is een gevoel dat iets met thuis-zijn te maken heeft. Voor even of voor wat langer. Misschien wel voor altijd.

Hoe dan ook. Nu, hier, voel ik het. Ik ben een vederlichte Fries en soms, als niemand luistert, zing ik zachtjes Rizende simmermoarn .

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct