Slag bij Warns, 1345. Graaf Willem IV wordt gedood. Oude schoolplaat.

Waar komt de Friese zucht naar vrijheid en gelijkheid vandaan? Het zit diep verankerd in onze historie

Slag bij Warns, 1345. Graaf Willem IV wordt gedood. Oude schoolplaat.

De zucht naar vrijheid en gelijkheid zit diep in de Friese identiteit verankerd. De bron ligt in het middeleeuwse terpen- en veenlandschap, waar pionierende boeren het met elkaar moesten zien te rooien. Ruzie was er voortdurend, maar wie de baas over een ander wilde spelen, kreeg de wind van voren.

,,Trotsheid is vooral voor Friesen onverdraaglyk, en zy kennen geen levendiger vermaak dan de vernedering van een hoogmoedig mensch’’, vertelt de Hedendaagsche Historie , of Tegenwoordige Staat van alle Volkeren in 1785.

Aan opscheppers hadden de Friezen dus een broertje dood. Verder waren ze vrijheidslievend en openhartig, ook al dat ging soms gepaard ,,met eene styfhoofdigheid, die ‘t zeer bezwaarlyk maakt om hen van hunne eens opgevatte voorneemens af te brengen.’’ Ze golden ook als tolerant: ,,Indien een vreemdeling genegen is zich eenigzins te schikken, wordt hy ook nog al ingeschikt.’’

Het zijn eigenschappen die hedendaagse Friezen nog graag in zichzelf herkennen, maar het boek somt ook een paar nare trekjes op uit de oude terpentijd. De drankzucht der Friezen was namelijk bron van ,,veelerhande geschillen, vechteryen en doodslagen’’.

De grootste oude passie der Friezen bestond bovendien uit dobbelen. In dit spel waren ze zo fanatiek dat alle principes opzij werden gezet. Wanneer al hun eigendommen vergokt waren, schroomden ze niet ,,hunne vryheid ten laatsten op den teerling te zetten.’’ Ze waren dus liever slaaf dan te stoppen met het spel.

Rode draad

Volksaard was een populair onderwerp in de achttiende eeuw. Sommige auteurs verkondigden onzin, maar de beschrijvingen bevatten voor Friesland wel degelijk een steekhoudende rode draad: Friezen waren graag baas over eigen land, ze lieten zich door buitenstaanders niet vertellen wat ze moesten doen en ze hadden een hekel aan rangen en standen.

Over Friese identiteit is de afgelopen jaren veel geschreven. De meeste wetenschappers zijn het er over eens dat de Friezen hun eigenheid door de eeuwen heen steeds opnieuw hebben vormgegeven en ingekleurd. Vooral de negentiende eeuw geldt als een cruciaal tijdperk.

Na het verlies van Napoleon ontstond het Nederlandse koninkrijk, waarin Den Haag als bestuurscentrum veel macht naar zich toe trok. Friesland verloor toen veel aanzien en zeggenschap over zaken die tot dan toe in het eigen gewest waren geregeld. Dat deed pijn: de Friezen die vroeger betrekkelijk rijk en invloedrijk waren geweest, zagen hun land ineens gedegradeerd tot een afgelegen buitengebied.

De economie was kwetsbaar en bovendien begon de centrale overheid het Nederlands op te dringen als standaardtaal voor het hele volk. Die combinatie van pijnlijke ontwikkelingen bood brandstof voor een sterke Frieszinnige beweging. De Friese taal werd omarmd als een symbool van eigen identiteit en trots. Later zou ook het landschap een belangrijke drager worden van het ‘Fries eigene’.

Daarmee ging een diepere en oudere laag echter niet verloren: de zucht naar vrijheid en gelijkheid. ,,De Fryske frijheidssin wie yn it fiere bûtenlân bekend’’, zegt historicus en taalkundige Oebele Vries, gastonderzoeker bij de Fryske Akademy. ,,Ek de sissenskip foar elk wie wichtich’’

Warns, Grutte Pier en Bonifatius

Wie de middeleeuwse helden en heroïsche momenten uit de Friese middeleeuwen bekijkt, ziet deze elementen steeds terugkeren. Dat begint bij Redbad, de heidense Friese koning, die zijn territorium in de achtste eeuw verdedigde tegen de christelijke Franken. Prediker Bonifatius moest het in 854 bezuren, toen hij de Friezen bij Dokkum wel even wilde vertellen wat ze moesten geloven. Zij sloegen hem dood.

Uiteindelijk werd de christelijke Frankische koning Karel de Grote toch de baas in Friesland, maar volgens de verhalen zou hij de Friezen een privilege van zelfbeschikking hebben toegezegd. Zie daar de Friese Vrijheid, die tot het einde van de middeleeuwen werd bevochten tegen indringers. De piraat Grutte Pier wordt wel gezien als laatste held uit die strijd. Hij was de schrik van de Hollandse zeevaarders en hielp hun stad Medemblik verwoesten.

Het zuiverste moment van die Friese zelfbeschikkingsheroïek is de slag bij Warns. De graaf van Holland, die meende dat Friesland van hem was, voer in 1345 met zijn troepen naar Stavoren, waar hij de Friezen tot onderdanigheid wilde dwingen. Dat bleek een dodelijke vergissing. Uit heel Friesland kwamen gewapende mannen naar de Zuidwesthoek, waar ze de Hollandse troepen in de pan hakten. De verwaande Hollandse graaf moest het met de dood bekopen.

Achter deze Friese heroïek schuilen een hoop nuances. Historici hebben nooit een bewijs gevonden van een Fries vrijheidsprivilege. Historicus Paul Noomen toonde zelfs aan dat de Friezen wel degelijk onderdanigheid toonden aan de Hollandse graven, zolang hun bemoeienis binnen de perken bleef. Grutte Pier werkte samen met de hertog van Gelre, die Friesland bij zijn Gelderse rijk probeerde te voegen. Dat maakt zijn verhaal ongemakkelijk.

Oude kroniekenschrijvers en monniken zochten dan ook selectief naar oude verhalen om de Friese Vrijheid te legitimeren. Dat moest wel, want in Friesland woonde geen graaf of een andere hoge baas. Edellieden in andere gebieden zagen dit als een mooie mogelijkheid om het gewest aan hun eigen gebied toe te voegen.

Dat gevaar moesten de Friezen zien af te wenden. Vries: ,,Sy seinen: ús frijheid komt fan Karel de Grutte.’’ Uiteindelijk kwamen geleerde Friezen zelfs met een geschreven bewijs op de proppen, ,,mar dat privilege bestie net echt, it dokumint wie in ferfalsing.’’

loading

De laat-middeleeuwse Friezen verwezen nooit naar koning Redbad, want met zo’n heidense woesteling als voorvader maakte je een slechte indruk binnen christelijk Europa. Pas later werd hij weer als held op het schild gehesen. Schrijvers selecteerden dus steeds bronnen die van pas kwamen voor de Friese belangen van hun eigen tijd.

Vooral bij machtswisselingen kwam die zoektocht op gang. ,,Dat zie je bijvoorbeeld heel sterk na de opstand in 1580’’, zegt historicus Hans Mol, onderzoeker aan de Fryske Akademy en hoogleraar middeleeuwse geschiedenis in Leiden. Friesland maakte zich los van de onderdrukking door de Spaanse koning Philips II. Vervolgens richtten de Friese Staten samen met Holland en enkele andere gewesten een nieuwe natie op: de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Onmiddellijk begonnen Friezen in hun eigen historie te speuren. Ze herinnerden zich het bestaan van een democratisch systeem op het platteland, waarbij de boeren en landbezitters in iedere grietenij (gemeente) hun eigen grietman (burgemeester) konden kiezen. ,,Maar ze wisten niet meer precies hoe dat werkte’’, zegt Mol.

Versplinterd door terpen

Ze bedachten een nieuw kiessysteem dat Friesland omstreeks 1600 tot het meest democratische gebied van Europa maakte. Historicus Jonathan Israël stak hierover afgelopen jaar de loftrompet in het blad De Vrije Fries. Die boerendemocratie leidde echter ook tot problemen, zegt Mol.

Friesland was na Holland het rijkste gewest, maar betaalde naar verhouding veel te weinig belasting om de gezamenlijke landsverdediging te financieren. Dat gaf zoveel wrevel dat het bestuurssysteem uiteindelijk weer gewijzigd werd. Daarna kreeg de adel meer macht.

De vroege vormen van democratie en het Friese vrijheids- en gelijkheidsbeginsel zijn een afgeleide van het landschap, zegt Mol: ,,In zekere zin is het ook een oer-Nederlands verhaal: dat zit in het veen en de terpen.’’ Een groot deel van Friesland was tot ver in de middeleeuwen alleen bewoonbaar op verhoogde plekken, die dicht bevolkt raakten. Daar moesten bewoners voortdurend nauw samenwerken.

Essentieel voor de Friese geschiedenis is bovendien het gebrek aan ,,accumulatie’’, zegt Mol. Er was geen heerser die van bovenaf de wetten kon opleggen aan grote gebieden. ,,Op jouw terp was iemand de baas, maar de terp verderop werd weer door iemand anders beheerd.’’ Niemand slaagde erin om boven de anderen uit te stijgen.

Elders in Europa wisten heersers wel machtsbolwerken op te bouwen. Dat gold ook voor de Hollandse graven, die hun machtssysteem met geweld wisten op te dringen aan West-Friesland. Ze slaagden er echter niet in om de bewoners van de huidige provincie Friesland op de knieën te dwingen. Alles bleef hier dus kleinschalig en versplinterd.

Op de terpen zaten kleine baasjes, de zogeheten hoofdelingen, die geleidelijk een adelssysteem ontwikkelden, dat van vader op kind werd doorgegeven. Friesland telde honderden van zulke hoofdelingengeslachten. Dat verklaart ook waarom er zo gigantisch veel kerken, kloosters en stinzen in Friesland stonden, zegt Mol.

Als er een graaf de baas was, dan zorgde die voor de bouw van enkele grote kastelen en kloosters. In Friesland streefden al die honderden hoofdelingen echter allemaal zelf naar een eigen kerkje en een stins. Zo ging het ook met de kloosters, die de adel toegang boden tot belangrijke connecties en een prettig hiernamaals. In gebieden waar een graaf de macht had, werd vaak één kloosterorde heel groot. Mol: ,,Iedere graaf had zijn love bab y.’’

In Friesland ging dat anders, want hoofdelingen probeerden de buren van een terp verderop de loef af te steken. Toen de cisterciënzers in Rinsumageast hun abdij Klaarkamp stichtten, kwam onmiddellijk in het nabijgelegen Hallum een klooster van de concurrerende norbertijnen tot stand.

Mol: ,,De hoofdelingen gingen winkelen. Dus: als de buurman bij het ene klooster gaat, dan ga ik bij een ander. Zo vulde het landschap zich voortdurend met nieuwe concentraties.’’

Gelijkwaardig door veen

Minstens zo belangrijk was de grootschalige ontginning van het veen, die zo’n duizend jaar geleden op gang kwam. ,,Mensen begonnen daar slootjes te trekken, dan kreeg je dus een soort vinex-wijk. Je verdeelt dan de partjes en zo krijg je een systeem met allemaal boerderijen naast elkaar.’’

De boeren waren hierdoor automatisch gelijkwaardig aan elkaar. Mol: ,,Het is niet voor niets dat ze op het veen de grootste mond hebben.’’ Het ontgonnen veen begon overigens wel te zakken, waardoor het grote waterproblemen ondervond. Dan moesten de bewoners opnieuw samen aan het werk om het landschap bewoonbaar te maken.

Het bleef dus eeuwenlang pionieren geblazen voor de boeren, die weinig gezag van boven merkten: ,,Je had autonomie binnen een gemeenschappelijke identiteit.’’ De boeren hadden relatief veel macht en hielden die ook: ,,Eigenlijk zie je dat in Friesland nog steeds.’’

De Stellingwerven sloten zich rond 1300 aan bij Friesland, om aan de macht van de Utrechtse bisschop te ontsnappen. Mol: ,,Zij hebben de Friese autonomie overgenomen. De Friese Vrijheid werd dus een exportproduct.’’

loading

Een groot Fries rijk?

In de late middeleeuwen is slechts een serieuze poging gedaan om een groot Fries rijk te stichten. Dat gebeurde vanuit het Duitse Ost-Friesland, waar het hoofdelingengeslacht Cirksena in 1461 een graventitel kreeg van de Duitse keizer.

Graaf Edzard Cirksena hoopte ook Groningen en Friesland bij zijn gebied te trekken, zodat er een grote Friese staat tot stand kwam. Hij kwam een heel eind, maar werd uiteindelijk verslagen door de hertog van Saksen.

In de canon van onze Friese geschiedenis kreeg de graaf een eigen hoofdstuk. ,,Mar yn East-Fryslân stiet gjin inkeld stânbyld foar Cirksena’’, zegt Vries. De Duitse Ost-Friezen zijn hun eigen graaf dus vergeten, maar hechten nog wel sterk aan het Friese vrijheidsgevoel, merkt hij.

Het gebied waar de Cirksena’s heersten, verruilde de Friese taal voor het Nedersaksisch, net als de Groningers. Ost-Friezen zien hun vrijheidsgevoel nog als typisch Fries, terwijl Groningers helemaal afstand hebben gedaan van hun oude identiteit.

Tot in de negentiende eeuw leefde het Friese gevoel overigens nog op het Groninger platteland, weet Vries. Ook Hollanders zagen zichzelf in een ver verleden als Friezen, maar in de loop van de middeleeuwen begonnen zij zich als een afzonderlijk ‘Bataafs’ volk te beschouwen.

Alleen de noordelijke Hollanders in West-Friesland koesteren nog een Frieszinnige identiteit. Hun enorme mondigheid past in het rijtje typisch Friese kenmerken die in 1785 al beschreven werden: ,,Ook zyn ze van een aanzienlyk en bevallig weezen, waarin eene onbeschroomde achtbaarheid doorstraalt, welke zy, vooral in ‘t spreeken, door een rondborstige vrymoedigheid weeten aan den dag te leggen.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct