De Romeinen namen ook de bewoners van de gebieden die ze hadden veroverd in hun legers op.

Vondsten van amateurarcheologen bewijzen: Friezen vochten in Romeinse legioenen

De Romeinen namen ook de bewoners van de gebieden die ze hadden veroverd in hun legers op.

Friezen en Groningers vochten in de Romeinse legioenen, zo blijkt uit vondsten van amateurarcheologen die deze vermoedens bevestigen. Zij ontdekten in de bodem van Friesland en Groningen tientallen onderdelen van paardentuig dat door de Romeinen werd gebruikt. De ontdekking kwam aan het licht door het PAN-project waaraan onder meer de Rijksuniversiteit Groningen en de Vrije Universiteit Amsterdam deelnemen.

Het doel van het zogeheten Portable Antiquities of the Netherlands (PAN) , dat in 2016 is gestart, is het documenteren van historisch materiaal dat door amateurarcheologen is gevonden. Een app maakt het mogelijk de vondsten sneller te verwerken. PAN leidt tot nieuwe historische inzichten. Nu stonden amateurarcheologen tot enkele jaren geleden niet altijd te springen om hun vondsten met de autoriteiten te delen. ,,Tot 2016 was het eigenlijk illegaal wat ze deden’’, legt VU-archeoloog Stijn Heeren en projectleider van PAN uit. ,,Maar de regels zijn aangepast waardoor ze minder terughoudend zijn hun vondsten bij ons te melden.’’

Heeren is verrukt over de restanten van paardentuig die zijn ontdekt. Dat biedt volgens hem ook nieuw inzicht in de samenstelling van de Romeinse krijgsdienst. ,,De Romeinen namen ook de bewoners van de gebieden die ze hadden veroverd in hun legers op.’’

Friezen waren in ‘Bataafse’ eenheden ondergebracht

In Midden-Nederland – wat deel uitmaakte van wat de Romeinen met Germania Inferior aanduidden – leefden de Bataven die hele afdelingen voor het Romeinse leger leverden. Al langer bestond het sterke vermoeden dat de Bataafse eenheden niet alleen uit Bataven bestonden. Heeren: ,,De Bataven bewaakten onder meer de Muur van Hadrianus in Groot-Brittannië. Daar is ook een houten schrijfplankje gevonden waarop melding van een Fries wordt gemaakt en een inscriptie in steen van een Fries. Door de metaalvondsten uit het noorden met deze vermeldingen te combineren denken we nu dat de Friezen in ‘Bataafse’ eenheden waren ondergebracht.’’

,,In de vroege eerste eeuw, de tijd van keizer Augustus claimde het Romeinse Rijk alles tot aan de rivier de Elbe. Dat veranderde door de grote nederlaag van 9 na Christus in het Teutoburgerwoud. Rome zat in het defensief en legde de limes (de bewaakte grenslijn) langs de Rijn.’’ Germaanse stammen hakten onder leiding van Arminius drie Romeinse legioenen plus hun hulptroepen – meer dan 18.000 soldaten – in de pan.

Heeren: ,,Dit paardentuig stamt uit de eerste, tweede en derde eeuw na Christus dus in de periode dat dit gebied buiten het Romeinse Rijk lag. Ik vermoed dat het de uitrustingsstukken van Friezen waren die na hun diensttijd in het Romeinse leger terugkeerden naar huis. Soldaten mochten hun uitrusting verkopen of houden. Vaak namen ze het mee naar huis.’’

loading

Paardentuig en militaria uit de tweede en derde eeuw

Heeren: ,,Uit de vroege eerste eeuw zijn inscripties bekend van Friezen die in de keizerlijke lijfwacht in Rome dienden. In die lijfwacht zaten vooral veel Bataven, maar dus ook enkele Friezen. In de tweede eeuw zijn er maar twee tekstuele referenties naar Friezen bewaard: een militair diploma (eervol ontslagbewijs) en een brief uit Vindolanda (Romeins fort bij de Muur van Hadrianus).’’

,,Het nieuwe van PAN is dus dat er tientallen stuks paardentuig en militaria uit de tweede en derde eeuw zijn gevonden, verspreid over tientallen terpen of wierden. Dit wijst op een tamelijk grote rekrutering van soldaten onder de Friezen, net zoals dat onder de Bataven was, maar dat is nog veel grootschaliger. En dus uit een tijd dat het gebied dat Groningen en Friesland omvatte al lang geen deel meer uitmaakte van het Rijk.’’

,,Het gekke is dat we wel negen eenheden van Bataven kennen, maar geen Friese eenheid bij naam. Wel is er in een Britse inscriptie uit de derde eeuw sprake van een cuneus Frisiorum (‘Friese kern’, een soort onderafdeling). Het lijkt erop, dat de Friese rekruten werden ingedeeld bij Bataafse eenheden. Archeologen hebben zich er lang over verbaasd dat de Bataven meer dan 5000 soldaten leverden. Dat is eigenlijk veel te veel voor de totale bevolking van het Bataafse gebied, die op 30 tot 40.000 personen wordt geschat. Waarschijnlijk werden de bewoners ondergebracht in Bataafse eenheden, en waren er dus in werkelijkheid minder ‘echte’ Bataven in die legeronderdelen, aangevuld met Friezen.’’

loading

De puzzel kan worden opgelost

,,Het diploma dat eerder werd vermeld, geeft hier ook een aanwijzing voor: de Friese soldaat ontvangt een diploma als eervol ontslag, en het burgerrecht dat bij eervol ontslag hoorde gold ook voor zijn Bataafse (!) vrouw. Kortom, we hadden snippers bewijs en een vermoeden en PAN heeft nu geleid tot het oplossen van de puzzel!’’

Lang niet alle amateurarcheologen hebben zich bij de PAN aangesloten. Heeren: ,,We hebben in heel Nederland met achthonderd zoekers contact. Ik vermoed dat er tussen de twee- en negenduizend zoekers zijn. Er is dus nog veel werk te doen.’’

Jos Bazelmans, hoofd archeologie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, benadrukt het belang van de inzet van de amateurs. ,,Zonder de grootschalige inventarisatie van metaalvondsten door PAN was dit hoofdstuk nooit aan het verhaal van de Romeinse tijd in Nederland toegevoegd. Het project verkleint de kloof tussen wetenschap en hobby-archeologen en geeft hen erkenning voor hun zoekactiviteiten met de aandacht die de vondsten krijgen via de website.’’

Zoektocht naar vraagtekens leidt tot ontdekking van een muntschat

loading

Amateurarcheoloog Aldwin Wals (48) uit Noord-Groningen meldde honderden vondsten aan bij de PAN: vingerhoedjes, mantelspelden, gespen en… een goudschat.

De schijf van de metaaldetector zwiept ritmisch van links naar rechts over de akker. Bleekgele stoppels van vers geoogste tarwe steken uit de kleigrond. Krijtwitte wolkslierten drijven in een harde, blauwe lucht. Aldwin Wals (48) luistert aandachtig naar de nerveuze piepjes die de schijf naar zijn koptelefoon stuurt. Hij negeert ze, hij wacht op ‘die mooie piep’. Een piep die misschien een gouden munt oplevert. Of het lipje van een colablikje.

De schijf scheert enkele centimeters boven de grond, alsof een onzichtbaar krachtveld voorkomt dat de detector de aarde raakt. Aldwins rechterarm die de een kilo zware detector vasthoudt, is zichtbaar gespierder dan zijn linker. Zijn ogen speuren de grond af. Da’s niks, een steen. Maar dat dan? Zijn hand schiet naar beneden, raapt een scherfje op en hij bestudeert het enkele seconden. Kogelpotaardewerk, middeleeuws. Met een gebaar die routine verraadt, stopt hij het in de tas die aan zijn riem hangt.

Terughoudend met zijn ‘vindplekken’

Zoals bijna alle amateurarcheologen die met een metaaldetector zoeken, is hij uiterst terughoudend met wie hij zijn ‘vindplekken’ deelt. Op concurrenten zit hij niet te wachten. Hij kijkt even naar de zon die hoog aan de hemel staat. Een vogel of het geluid van een trekker verbreekt af en toe de stilte. Verder is hij helemaal alleen. Hij geniet, vooral als hij na zijn werk – hij is kok in een verzorgingshuis – er nog even snel met zijn detector op uittrekt en meemaakt hoe de zon van geel naar roodoranje kleurt en langzaam wegzakt.

Hij struint liever over akkers dan over weilanden, hij wil de grond zien. De kok leeft het ritme van de boeren. Hij weet wanneer zij hun gewassen oogsten, zoals nu. De aardappels zijn gerooid, de tarwe is er weer af. In het najaar gaan de bieten eruit. Als het land weer zichtbaar is en nat van een regenbui, legt hij zijn metaaldetector in de kofferbak.

Hij heeft een goede verstandhouding met de boer die eigenaar is van de grond, een oude wierde die licht glooiend op de klei rust. De landbouwer heeft een zwakke plek voor geschiedenis en vindt het prachtig wanneer Wals weer iets onvoorstelbaar ouds uit zijn akker schraapt. Het is een verslaving. ,,Een voorwerp vasthouden waarvan je weet dat het honderden jaar geleden voor het laatst door een mens is aangeraakt, is een ongelooflijk gevoel.’’

Hoe weet hij wat hij heeft gevonden? De verslaving begon in de moestuin van zijn opa. ,,Af en toe vond je dan iets: een gespje of zo. Een vriendje van me had een metaaldetector en samen trokken we dan de velden in. Je had nog geen internet, dus ik begon boeken over archeologie en geschiedenis te lezen. Hoe zag het landschap er vroeger uit? Welke gebieden zijn archeologisch waardevol? Hoe weet je wat je hebt gevonden?’’

Hij vindt veel rotzooi: dopjes, blikjes, stukjes lood. Hij maakt een wegwuifgebaar. ,,Man, ik vind me toch een troep! Vooral in het begin want dan weet je nog niet zo goed hoe je een bepaald geluid van de detector moet interpreteren. Maar je leert al snel wat een mooie piep is. Toch levert ook dat niet altijd wat op hoor.’’

Zo hoorde hij tijdens een zoektocht de ene na de andere mooie piep. ,,Maar ik vond echt niks. Zelfs geen stukje lood of zo. Ik snapte er helemaal niks van, want dat ding bleef maar piepen. En toen snapte ik het. Ik had nieuwe laarzen gekocht en daar zaten stalen neuzen in. Tja.’’

loading

De collectie beslaat vele eeuwen

Hij bezit inmiddels een omvangrijke collectie die vele eeuwen beslaat. Rijwielbelastingplaatjes uit de jaren dertig liggen in een van de lades van de archiefkast die nog lichtjes naar kamfer ruikt om de vlinderverzameling, een hobby van de vorige eigenaar, tegen motten te beschermen. Keurige ronde loden balletjes die in een vorige eeuw uit de loop van een pistool of jachtgeweer schoten. Een ander bolletje, dat nauwelijks van de kogels is te onderscheiden, zat ooit vast aan een visnet en diende als verzwaring. Een steen met drie merkwaardige gaatjes was een mal voor het gieten van knopen. Soms zag hij meteen wat hij uit de grond haalde. Soms had hij hulp nodig. Zoeken naar vraagtekens, zo noemt hij het.

,,Ik doe het niet voor het geld.’’ Hij zegt het zorgvuldig en met nadruk. ,,Je hebt mensen die er ’s nachts op uit gaan en zonder toestemming van de grondeigenaar gaan zoeken. Doe ik niet. Dit doe je niet voor het geld. Veel mensen denken dat je hier behoorlijk mee verdient. Is absoluut niet zo. En als ik iets waardevols vind en verkoop, dan gaat de helft naar de eigenaar van het land. Maar dat gebeurt praktisch nooit. En als je in opdracht werkt, krijg je in principe niks. Zo zijn de regels.’’

En da’s niet altijd fijn.

Het best bewaarde geheim van Loppersum

Vier jaar geleden helpt hij bij een archeologisch onderzoek tijdens rioleringswerkzaamheden in Loppersum. ,,MUG Ingenieursbureau vroeg of ik mee wilde helpen. Het was maandagochtend 5 september. We waren bezig in de Burgemeester van der Munnikstraat. Het was schafttijd en de rioolwerkers zaten te eten zodat de archeoloog en ik rustig de tijd hadden om de plaats waar zojuist de oude rioolbuis was verwijderd te inspecteren. Ik haalde mijn detector even over een stuk grond en ik hoorde een mooie piep.’’ Hij pakt zijn schep. ,,Voor ik het wist had ik een gouden munt in mijn hand. Daarna vond ik er nog een.’’

Een deel van de opgegraven grond ligt dan al in een vrachtwagen, dat later bij een boer wordt gestort. Hij kijkt naar de vrachtwagen waar de grond voor het depot in ligt. Ook de belangstelling van de archeoloog is gewekt. Een munt zegt niet zoveel, die kan iemand gewoon hebben verloren. Maar twee? Wie weet liggen er daar nog meer.

Wals: ,,Ik wist waar de grond werd gestort. Ik reed ik achter de wagen aan en ik ging op zoek. Na een paar uur had ik negentien gouden munten.’’ Ze besluiten hun vondst stil te houden en verder te zoeken. ,,Goud doet rare dingen met mensen. Laat ik het daar op houden.’’

Drie dagen lang scant, zoek en graaft hij in de gestorte grond. Ook het onderzoek in het centrum gaat gewoon door. Inwoners kijken vanachter de hekken met opgetrokken wenkbrauwen toe. ,,Ze vroegen voor de grap of we al goud hadden gevonden. Of we wel wisten dat Loppersum een armlastige gemeente was.’’ Hij grijnst. ,,Maar we hielden onze mond. Het goud was toen het best bewaarde geheim van Loppersum.’’

loading

49 goudguldens uit de zestiende eeuw

Dan wordt de vondst na enkele weken officieel naar buiten gebracht. De muntschat telt 49 goudguldens uit de zestiende eeuw. De oudste is tussen 1470 en 1480 geslagen. Ze komen uit Duitse deelstaten en steden, zoals Keulen, Hamburg, Neurenberg, Brandenburg en Bonn en zijn uitgegeven uit naam van verschillende keizers, waaronder Karel V, Rudolph II en Maximiliaan II. Veel munten dragen de beeltenis van een heilige.

Ook wordt er nabij de munten een penning met de beeltenis van een Tudor roos gevonden, het symbool van het gelijknamige koningshuis in Engeland. Officieren droegen dezen penningen als een militaire onderscheiding. Maar eh, wat deden Engelse officieren in de zestiende eeuw in Groningen? Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648) probeerde het Staatse leger tijdens het Schansenbeleg van Groningen (1588 – 1594) de Spaansgezinde stad in te nemen (uiteindelijk lukte dit in 1594 met de Reductie van Groningen). Engelse troepen maakten deel uit van het Staatse leger.

Archeologen vermoeden dat er in de zestiende eeuw aan de Lagestraat in Loppersum een huis van een welvarende handelaar stond die gerst naar Duitsland verscheepte en daar bier kocht om in Nederland te verkopen. De schat werd na 1592 verborgen, wellicht uit angst voor plunderingen door Staatse troepen. Een Engelse militair verloor mogelijk hierbij zijn Tudor penning.

Wals: ,,Dit was de vondst van mijn leven. Dat durf ik rustig te zeggen. De kans is groot dat ik zoiets nooit meer vind.’’ De munten vertegenwoordigen een lief sommetje. ,,Maar nee, daar kreeg ik helemaal niks van. Ik werkte in opdracht. Maar dat vind ik helemaal niet erg hoor. Bovendien zou ik die munten niet graag in huis hebben.’’

Overigens: van de 49 goudguldens bleken er later twee vals te zijn. ,,Valsemunterij uit de 15de en 16de eeuw dus.’’

Hij wandelt verder over de akker. Een schril geluid als van een eend die helium inademde, klinkt in zijn koptelefoon. Hij houdt stil. Dit is een mooie piep. Hij slaat met zijn detector een kruis over de grond om de positie beter te bepalen. Hebbes. Met zijn laars maakt hij een kuiltje dat hij met een schep wat uitdiept. Hij pakt zijn rode pointer die het formaat van een zaklantaarn heeft en begint in de grond te porren. De pointer protesteert met licht gekraak dat Wals precies vertelt waar het metaal ligt. En dan ligt er een minuscuul muntje in zijn handpalm. ,,Een middeleeuwse penning! Mooi toch?’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct