Verzetsman Sjoerd Wiersma voelde een leger engelen om hem heen

Jopie Yntema (joodse naam Judith Hangjas): ,,Mijn pleegouders zeiden elke dag dat ik de allerliefste van de hele wereld was.'' FOTO RENS HOOYENGA

Tot op heden danken veel Joodse onderduikers hun leven mede aan de inzet van verzetsman Sjoerd Wiersma uit Joure. Hij speelde een belangrijke rol in het onderbrengen van Joodse ‘crèchekinderen’ uit de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam.

Als Joods baby’tje lag Jetty Leffring (nu 77 jaar) in de wieg bovenop de papieren van de omvangrijke, geheime administratie van haar pleegvader en verzetsheld Sjoerd Wiersma. Toen de Duitsers in 1944 binnenvielen in de wasserij van Wiersma in Joure en het huis doorzochten, stonden de bezetters minder dan een meter van haar wieg af.

Het onwaarschijnlijke gebeurde: het joodse meisje én de papieren die het lot van honderden joden en verzetsstrijders zouden bezegelen, bleven onontdekt.

Ook de 77-jarige Jopie Yntema (joodse naam: Judith Hangjas) dankt haar leven aan Sjoerd Wiersma, die leefde van 1899 tot 1971. Als baby werd Yntema onder een rok of in een rugzak uit de Hollandsche Schouwburg gesmokkeld, om vervolgens in 1943 uit de crèche tegenover de schouwburg te worden gered. Een koerierster bracht Yntema eerst naar haar ouders in Beesd. Daar haalde Sjoerd Wiersma de negen maanden oude baby op.

Wiersma nam de joodse baby per trein mee naar Joure. ,,Ik was heel moeilijk ergens te plaatsen, omdat ik er erg joods uit zag”, vertelt Jopie, thuis in Leeuwarden. ,,In Friesland wilden ze liever niet zulke donkerharige kinderen. Die gingen eerder naar Limburg, waar de mensen donkerder haar en vaker bruine ogen hebben.”

In codetaal onderscheidde het verzet de donkere van de lichte joodse kinderen met de termen: koffiesurrogaat en theesurrogaat. Het eerste moest naar Limburg, het laatste naar Fryslân.

Desondanks kwam de kleine Jopie terecht in Idskenhuizen in Friesland. Het hele dorp, met driehonderd inwoners, wist onmiddellijk dat familie De Jong opeens een joods onderduikertje in huis had. ,,Mijn ouders hadden hun best wel gedaan met een vals paspoortje. Ze zeiden: ‘het is een nichtje, haar familie is verongelukt in Rotterdam’. Maar uiteindelijk wist het hele dorp het wel.”

Zonder gevaar was het niet, er woonden NSB’ers in Idskenhuizen. ,,Ze hebben mij niet verraden, al waren ze dat vaak van plan. Mijn pleegmoeder was niet bang. Ze zette een grote mond op en zei: ‘Mijn zonen in het verzet doen jullie wat aan als jullie ons verraden.’”

Voor haar voelde het als een goede jeugd. ,,Het waren hele lieve ouders. Ik bleef er na de oorlog wonen, want ik had geen familie die de oorlog had overleefd, behalve een nicht. Mijn pleegouders gaven mij alle liefde en kansen. Het was een fantastische tijd.”

loading  


Werkwijze

Sjoerd Wiersma haalde meer onderduikers – zoals Jopie – met de trein en tram op. ,,Hij had een vals bewijs dat hij traminspecteur was, dus hij kon overal vrij reizen”, vertelt kleinzoon Sjoerd Wiersma (62), die naar zijn pake is vernoemd. In de beginjaren van de oorlog haalden Wiersma en zijn maat Uilke Boonstra de onderduikers op met een vrachtwagentje of brandweerauto. Dat werd op den duur onmogelijk door controles, vertelt kleinzoon Sjoerd.

Natuurlijk kwam ook een deel van de onderduikers met de Lemmerboot ‘Jan Nieveen’. Dertig van de naar schatting 210 kinderen die zo naar Friesland kwamen kregen via Wiersma een onderduikadres.

Zijn organisatie zou in de oorlog veertienduizend onderduikers hebben ondergebracht en van bonkaarten hebben voorzien, vertelde Sjoerd Wiersma in de Leeuwarder Courant van 25 april 1970. In het district Joure zaten minstens duizend joodse onderduikers.

,,Zeshonderd van hen waren joodse mensen die hij en Boonstra uit Amsterdam, Haarlem, Aerdenhout, Utrecht en Nijmegen haalden en vervolgens onderbrachten”, vertelt zijn kleinzoon.

,,Mijn grootvader had een leidinggevende rol in het verzet, dat in Friesland een piramidemodel had. De mensen bovenin, zoals mijn pake, wisten alles. Laag vier of vijf wist niks meer.” Daarom had Wiersma in de oorlog altijd een pistool bij zich. ,,Als ze hem zouden pakken wilde hij zich door zijn hoofd schieten. Hij wist wat de Gestapo allemaal voor elkaar kreeg.”

Charisma en overtuigingskracht waren een belangrijke eigenschap van Wiersma. Dat was ook nodig om zo’n groot netwerk te runnen. Wiersma vertelt over een keer dat zijn grootvader een boer overtuigde om een joods kind te verbergen. ,,Het was misschien wel een van de eerste onderduikers in Friesland, begin zomer ‘42. De boer durfde het niet aan.’’

,,Mijn grootvader zei: ‘Een neergevallen piloot die wordt opgepakt gaat naar het krijgsgevangenenkamp, maar een jood wordt honderd procent zeker vermoord. En nu heb je éénmaal in je leven de kans om iemands leven te redden! En dan zeg je ‘nee’? Toen zei de boer: ‘Breng er dan maar één’. Uiteindelijk werd het zijn beste huis om onderduikers onder te brengen.”

loading  


Razzia

Wat Sjoerd Wiersma deed was gevaarlijk voor de hele familie. Dat bleek eens te meer op 1 februari 1944. Toen kwam hij samen met Uilke Boonstra vanuit Amsterdam op het station in Heerenveen aan. Hij voelde zich al onrustig in de trein. Iets klopte niet.

Boonstra probeerde hem gerust te stellen en stapte onverschrokken het perron op. Hij keek, eenmaal uitgestapt, nog even achterom om naar Wiersma te seinen dat de kust veilig was. Precies op dat moment wees een NSB’er Uilke Boonstra aan. Hij werd opgepakt en is later omgebracht in kamp Vught.

Wiersma zag het gebeuren en stapte gauw in een klaarstaande tram van Heerenveen naar Joure. Hij sprong onderweg in een bocht uit de trein en liep naar huis. Daar aangekomen bleek de wasserij afgezet. Wiersma – die geen rechtsomkeert durfde te maken – liep met gebogen hoofd in vlotte pas door de afzetting heen voor het huis langs. Niemand hield hem tegen.

,,Later vertelde hij: ‘Ik voelde dat er een leger engelen om mij heen was’,’’ vertelt kleinzoon Wiersma.

In huis sloegen beruchte de SD’ers Grundmann en Lammers ondertussen Trijntje, de vrouw van Sjoerd, bijna bewusteloos. Ze wilden weten waar Sjoerd was. ,,Er ist nach Rotterdam, Seife verkaufen”, zei Trijntje die tussen de Duitsers en de wieg stond. Daarin lag Joodse baby Jetty met onder haar matrasje tientallen lijsten met onderduikadressen en verzetsstrijders.

De woedende nazi’s sloegen alles kort en klein maar keken niet in het wiegje. Het hele gezin, met vier kinderen en Jetty, moest na die inval op verschillende plekken onderduiken. Sjoerd Wiersma zette ondertussen zijn verzetswerk door, maar wel op een iets lager pitje.

Dat ze als baby door het oog van de naald is gekropen, beseft Jetty Leffring-Stouwer maar al te goed. Ze is trots op haar pleegouders. ,,Ze hebben het gedaan met gevaar voor eigen leven. Ik vraag me wel eens af: wat had ik gedaan?”

Wat Wiersma heeft bewogen begreep ze pas veel later. Op zijn sterfbed waren zijn laatste woorden tegen haar: ,,Moed en vertrouwen.’’ Jopie: ,,Ik snapte er toen niks van. Jaren later begreep ik het: als heit niet zoveel moed had gehad, en zoveel vertrouwen in zijn Heer en Heiland – heit was een echte christen – dan had hij dit werk nooit kunnen doen.”


Cartotheek in Westerbork

Dat kleinzoon Sjoerd de ervaringen van zijn grootvader zo moeiteloos kan navertellen, komt omdat hij in de familie, met name van zijn vader, dikwijls verhalen over hem hoorde. ,,Pake kon er zelf ook goed over vertellen. Hij wilde ook een boodschap aan de nieuwe generatie meegeven: dit is er gebeurd; denk na over wat je doet.”

Daarnaast komt veel kennis over zijn pake uit de archieven die Sjoerd de afgelopen jaren onderzocht en beheerde. Op lijsten noteerde pake Wiersma tijdens de oorlog namen en adressen van onderduikers, evenals financiële tegemoetkomingen en betrokken verzetsstrijders.

,,Het was vanzelfsprekend vreselijk als de Duitsers dit in handen kregen, maar er móést administratie komen. Het werk was te uitgebreid”, vertelt kleinzoon Sjoerd. ,,Het moest voor de financiële vergoeding en ook met het oog op na de oorlog: families moesten weer bij elkaar gebracht worden.”

De joodse onderduikadministratie is na de oorlog in Sneek uitgetypt op 450 kaarten. Die kaartenbak gaf Sjoerd Wiersma junior vijftien jaar geleden aan voormalig Kamp Westerbork in bruikleen. Volgens Guido Abuys, conservator in het herinneringscentrum van Westerbork, is de kaartenbak ,,vrij uniek, omdat je er in de eerste instantie niet vanuit gaat dat zoiets bestaat.”

Waarschijnlijk gaat het hier om een klein deel van de onderduikers die Wiersma onderbracht; er staan alleen volwassenen op de kaarten. Naar de kaartenbak is volgens Abuys al tientallen keren gevraagd door mensen die op zoek zijn naar bekenden. ,,Daarom hebben we deze cartotheek gedigitaliseerd. Dan hoeven we de oude kaartjes niet dagelijks aan te raken.”

Onlangs vond Sjoerd in het archief van zijn pake ook nog een originele lijst op basis waarvan de kaartenbak gemaakt is. ,,Dat zo’n lijst de oorlog heeft overleefd vind ik een wonder.” Ook die gaf hij vorige week in bewaring bij voormalig Kamp Westerbork.

loading

Kinderen vertellen het geheim

Met het einde van de oorlog, eindigen de verhalen van joodse baby’s Jopie en Jetty niet. Zij kwamen er beide tijdens hun kindertijd pas achter dat ze joods en geadopteerd waren.

Zo hoorde Jetty, die bij de familie Wiersma bleef wonen omdat haar familie de oorlog niet overleefde, dit op het schoolplein van een jaloers leeftijdsgenootje. ,,Ik rende huilend naar huis tussen de middag. Ik zei: ‘jullie zijn toch mijn ouders?’ Toen heeft heit het me moeten vertellen.” Later kwam ze erachter dat heit Wiersma verschrikkelijk spijt had dat hij het Jetty niet eerder had verteld, omdat ze het nu op zo’n ‘rotmanier’ had moeten horen.

Jetty belandde na de geboorte van haar jongste dochter in een postnatale depressie waardoor ze drie maanden moest worden opgenomen. ,,Ik had het al maar over de oorlog.”

Een van de dingen waar ze het moeilijk mee had, is dat haar moeder niet onderdook. Toen Sjoerd Wiersma haar als baby uit Amsterdam haalde, had hij ook een plek voor haar moeder. Toch bleef ze achter. ,,Of ze dat niet durfde, of dat ze eerst nog familie wilde zien... Daar kom ik nooit meer achter. Ik ben niet boos geweest, maar ik kon het niet bevatten. Wat voor moeder geeft nu haar eigen kind weg?”

Ook Jopie Yntema hoorde op straat dat ze joods was. Ze was toen negen jaar. ,,We kregen als kinderen ruzie en toen begonnen ze me uit te schelden voor ‘Jodin’ en ‘jij denkt zeker dat het jouw eigen heit en mem zijn?’”

Haar pleegouders uit Idskenhuizen legden haar zo goed mogelijk uit hoe de vork in de steel zat. ,,Dan kom je erachter dat je helemaal geen familie hebt. Geen broertjes, geen zusjes. Dat je min of meer alleen op de wereld bent.”

Daar had Jopie het vooral tijdens haar pubertijd dikwijls moeilijk mee. ,,Als ik iets niet mocht, dacht ik: zie je wel, dat komt omdat het niet mijn eigen ouders zijn. Zeer onterecht natuurlijk, maar dat is puberaal gedrag.”

Ook wilde ze aanvankelijk niks weten van haar joodse identiteit. ,, Ik wilde niet anders wezen dan de anderen. Ik groeide op in Friesland.” Dat had overigens zomaar heel anders kunnen zijn. Na de oorlog kwam een vrouw aan de deur die de voormalige buurvrouw bleek van Jopie’s biologische ouders. Zij had haar buren beloofd Jopie na de oorlog op te voeden. ,,Maar ze nam me niet mee toen ze zag dat ik gelukkig was en het goed had. We hebben nadien nooit meer iets van de vrouw gehoord. Nu denk ik wel eens: zij had me misschien veel meer kunnen vertellen over mijn achtergrond.”

Het verlangen om meer te weten over haar identiteit werd sterker toen Jopie’s jongste dochter ging studeren in Groningen en lid werd van een joodse studentenvereniging. ,,Op dat moment dacht ik: nu mag ik er zelf ook wel wat aan gaan doen. Daarbij werd ik erg gestimuleerd door mijn man.” Ze sloot zich aan bij een joodse gemeenschap in haar woonplaats Heerenveen.

Vandaag de dag vertelt ze met regelmaat op scholen over haar geschiedenis. Dat ze er zo vrijuit over kan praten, komt volgens haar omdat ze in zo’n warm nest terecht is gekomen. ,,Mijn pleegouders zeiden elke dag dat ik de allerliefste van de hele wereld was.”