Tei-iis / Dooiijs

Van bomiis tot waarmefuotteniis: 27 soorten natuurijs

Tei-iis / Dooiijs Foto LC

Van Inuit wordt vaak beweerd dat ze tientallen woorden hebben voor sneeuw. Als het om ijs gaat doen Friezen daar niet voor onder. Natuurijs komt voor in tientallen verschijningsvormen die bijna allemaal een eigen naam hebben. Die zegt meestal iets over het uiterlijk, de herkomst of de kwaliteit van het ijs.

Hoewel er in winters veel gezegd en geschreven wordt over dat ijs, tellen voor schaatsers slechts twee kwesties: is het goed te beschaatsen en is het sterk genoeg? Op de eerste vraag geeft dit alfabetisch gerangschikte ijsvloerenoverzicht in veel gevallen een antwoord.

De kwestie over de sterkte van het ijs is in 1888 al opgelost door Mr. J. van Buttingha Wichers, de eerste secretaris van de Nederlandschen Schaatsenrijdersbond. In zijn standaardwerk Schaatsenrijden introduceerde hij de klinkermethode: ,,Men mag nimmer zoo roekeloos zijn een ijskorst te berijden door welke een gewone klinkersteen die met kracht in de hoogte wordt geworpen geheel wegzinkt. Blijft de steen ter halver hoogte uitsteken dan bezit het ijs voldoende draagkracht voor één persoon.’’

Alvestêde-iis / Elfstedenijs

Een ijssoort waarover je in Friesland niet te snel moet beginnen. Dat doet de rest van het land wel. Het heeft een dikte van minstens 15 centimeter, de veilige standaardmaat van Vereniging De Friesche Elf Steden. De kwaliteit en de beschaatsbaarheid van de ijsvloer doen er minder toe. Het natuurijs op trajecten met sterk wisselende omstandigheden wordt ook wel elfstedenijs genoemd.

loading

Balken / Balken

,,IIs mei balken derûnder’’ is ijzersterk. De term wordt ook gebruikt voor scheuren in dik zwart ijs. De spanningen in en onder de keiharde ijskorst ontladen zich in kriskras lopende barsten. Knallen en scheurgeluiden begeleiden hun komst. Ze klinken gevaarlijk maar betekenen doorgaans juist goed nieuws. Puik schaatsijs.

Bomiis / Bomijs

IJs waaronder lucht zit en geen water. Vaak te vinden langs de kanten van smallere wateren met een wisselend peil. Daar staat het bomijs schuin op de ijsvloer. Ook op plaatsen waar net onder het ijsoppervlak forse luchtbellen schuilgaan mag het ijs bomijs heten. Het is te zwak voor schaatsers.

loading

Bûteriis / Boterijs

Plakkaten van troebel gelig of roestbruin ijs die vaak voorkomen langs de walkanten van vaarten en sloten. Het boterijs dankt zijn kleur aan de ijzerdeeltjes in het bodemwater. Dat lekt bij oplopende temperaturen uit walkanten en drainagepijpjes op het bestaande ijs. Het is vaak aan de zachte kant.

Donoriis / Donorijs

IJs van elders dat wordt gebruikt voor het dichten van hardnekkige wakken. Rayonhoofden kiezen in noodgevallen voor ijstransplantatie. De kwaliteit van de blokken en de manier waarop zij aan elkaar vriezen, bepalen de beschaatsbaarheid. Vierkant uitgezaagde blokken verdienen daarom de voorkeur.

loading

Driuwiis / Drijfijs

Losse ijsbrokken die in het water blijven dobberen na een winterperiode. Niet voor schaatsers. Als het drijfijs op ruim water, gedreven door wind en stroming, een ondiepte of de kust bereikt, kan het gaan kruien. De brokken schuiven over elkaar heen en kunnen een spectaculair spoor van verwoesting achterlaten. Gevaarlijk voor zomerhuisjes langs bijvoorbeeld de IJsselmeerkust.

loading

Dûbeltsjesiis / Dubbeltjesijs

Een historische naam uit het guldentijdperk die in ere moet worden gehouden. Een gave zwarte ijsvloer met witte lucht- en gasbelletjes. Is vaak te vinden op natuurijsbanen die pas kort onder water staan. Planten en bodem produceren belletjes die in het ijs blijven hangen. Komt ook veel voor in moerassige gebieden waar gasbubbels uit de bodem opstijgen. ,,In dûbeltsje fine’’ staat gelijk aan vallen op dit overigens perfect beschaatsbare ijs.

loading

Feaniis / Veenijs

Degelijk ijs van vroeger. Ontstond in veenrijke gebieden en was hard en grijs. Was zelfs na een week dooi nog goed te beschaatsen. Het geliefde zwarte ijs is dan al lang onbetrouwbaar geworden.

Fondantiis / Fondantijs

Slecht schuimijs, vergeven van piepkleine luchtbelletjes. Is crème-achtig van kleur. Schaatsen is zwaar. De ijzers snijden diep. Schaatsers tuimelen gemakkelijk voorover.

Gersiis / Grasijs

Polletjes gras en andere planten steken door het ijs en remmen schaatsers af. Komt voor op ondergelopen weilanden en natuurijsbanen. Wellicht heeft de ijsbaanbeheerder te veel gras laten staan of te weinig water op de baan gepompt. Verdamping en slijtage kunnen het diepvriesgras ook aan de oppervlakte brengen.

Grûniis / Grondijs

Ontstaat in beweeglijk en niet te diep water bij een snel dalende temperatuur. In het tsjokke wetter vormen zich ijspegeltjes. Als die massaal en klompsgewijs komen bovendrijven, ontstaat een uit losse delen opgebouwde ijsvloer die aan de onderkant snel kan aangroeien. Het troebele grondijs is vaak snel sterk en heel redelijk te beschaatsen.

Healsliten iis / Oud ijs

IJspakket uit een eerdere vorstperiode dat terugkeert in een nieuwe ijsvloer. Wel sterk, niet egaal. De dooi laat vaak ronde gaten en putjes achter in het oude ijs. Schaatsers moeten opletten.

loading

Hynste-iis / Paardenijs

Heeft twee betekenissen. Paardenijs is in de eerste plaats ijs dat een paard kan dragen. Het is dus hoogst betrouwbaar. De naam wordt ook gebruikt voor slecht schotsijs. Schaatsers kunnen op de aaneengevroren brokstukken niet uit de voeten. Paarden met of zonder arrenslee komen wel goed vooruit.

Izeliis / IJzelijs

De ijsvloer gaat schuil onder een laagje ijzel. Het oppervlak is licht geribbeld maar goed beschaatsbaar. Wanneer er genoeg ijzel valt, kan er zelfs op straat worden geschaatst. Zo’n ijzellaagje slijt snel als het door veel schaatsers wordt bereden.

Jarre-iis / gierijs

IJs in de jarresleat . Vroeger te vinden bij boerderijen met nog een ouderwetse mesthoop. Is onbetrouwbaar en onfris.

Keunstiis / Kunstijs

Prima schaatsijs, te vinden op kunstijsbanen. Langebaanrijders noemen het ijs slecht als ze geen records kunnen rijden en geven de ijsmaker de schuld. Natuurijsschaatsers zijn minder kritisch. Zij kennen hun eigen keunstiis . Die complimenteuze naam geldt voor spiegelglad, kristalhelder ijs dat zo zuiver is dat de dikte zonder pripstok niet is vast te stellen.

Kistwurk / kistwerk

Berucht obstakel op meren en plassen. Onder invloed van temperatuurverschillen en het aanhalen, wegvallen of draaien van de wind, ontlaadt de spanning in de ijsvloer zich. Grote platen ijs gaan aan de wandel. Ze schuiven over elkaar, stuwen elkaar omhoog of juist naar beneden of drijven uiteen. Kistwerken zijn in al die verschijningsvormen gevaarlijk. Verstandige schaatsers kiezen een veilige omweg.

loading

Kwalsteriis / Kwalsterijs

Slecht ijs met een oneffen toplaag. Ontstaat bij wisselende temperaturen boven en onder het vriespunt. Toegestroomd water en restjes sneeuw en hagel zijn de grondstoffen voor de bevroren smurrie. Kwalster is een veroorzaker van valpartijen. Schaatsers merken dat hun ijzers diep insnijden en verrassend snel afremmen.

Nachtiis / Nachtijs

IJsvloer van de degelijkste soort zonder wakken of zwakke plekken. Is ’s nachts dus ook betrouwbaar.

Sân- en stofiis / Zand- en stofijs

De ijsvloer is bedekt met een laagje zand of stof. Het zwaardere zand is door de wind op het ijs gejaagd en komt altijd uit de buurt. Zand heeft een sterk remmende werking op schaatsers en maakt hun ijzers bot. Stof wordt door de oostenwind vaak van ver aangevoerd. Ook veel stof remt schaatsers.

Skosse-iis / Schotsijs

IJsvloer van aaneengevroren schotsen. Te vinden in het Prinses Margrietkanaal en kleinere vaarwegen, waar de plaatselijke schipper net een keer te vaak is doorgevaren na het invallen van de vorst. Opstaande randen maken schaatsen onmogelijk.

Snie-iis / Sneeuwijs

IJs met ingebakken en aangekoekte sneeuw. De kleur is troebel en grauwwit of gelig, als er veel vaste (ijzer-)deeltjes in het water zitten. Het is vaak van brozere kwaliteit, tenzij de sneeuw vroeg in de vorstperiode is gevallen. Dan is het ijs best hard en met wat geluk ook redelijk beschaatsbaar.

Lees ook | Roestbruin ijs door sneeuwval op de Bonkefeart in Leeuwarden

loading

Soaliis / Slopijs

Kapotgevaren ijs in een vaargeul. Bij pittige vorst vriezen de brokken weer aan elkaar vast en is het ijs weer spoedig te betreden. Niet voor schaatsers.

Swart iis / zwart ijs

Het hoogst haalbare als het om natuurijs gaat. Mooiste schaatsijs. Ook bekend als ‘glydiis’ (glij-ijs) en ‘spegeliis’ (spiegelijs). In alle gevallen betreft het hard en glad ijs van een stabiele samenstelling en kwaliteit. Door de grote doorzichtigheid lijkt het ijs zwart. Dat maakt schaatsers blij.

Tei-iis / Dooiijs

IJs dat na een dooi-inval schuilgaat onder een laagje water. De beschaatsbaarheid hangt af van de ijssoort onder de waterfilm. Schaatsen op buitenwater is af te raden. IJs ontdooit vaak een stuk sneller dan water bevriest.

loading

Waarmefuotteniis / Bobbel- of golfijs

Ook wel roffeliis genoemd. Een hobbelige ijsvloer die ontstaat wanneer ruimer water op een winderige dag dichtvriest. Het beweeglijke water zorgt voor golfjes en ribbels op het ijs, niet zelden over grote oppervlakten. Schaatsen is moeilijk en alleen mogelijk zolang de bobbelrandjes niet te hoog zijn. Anders klunen op ijs.

Wurkiis / Werkijs

Verzamelnaam voor alle ijssoorten die niet lekker te beschaatsen zijn. Speciaal voor stug ribbelijs, waarop schaatsers hard moeten werken om vooruit te komen.


Zijn er nog meer soorten natuurijs die een plaats verdienen in dit overzicht? Stuur suggesties naar cor.de.boer@lc.nl

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Winter
Schaatsen
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct