Trekkeractivisten blokkeren de toegangsbrug naar de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad, op woensdag 18 december 2019.

Typisch Fries aan onze economie: 'Altijd weer de boeren'

Trekkeractivisten blokkeren de toegangsbrug naar de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad, op woensdag 18 december 2019. FOTO LC/ARODI BUITENWERF

Is er een Friese economische identiteit? Opschaling, internationalisering en digitalisering, de opkomst van zzp’ers, flexwerkers en recent thuiswerkers, hebben ook hier de boel opgeschud. Economieverslaggever Irene Overduin probeert de puzzel te leggen. ,,Ik hou stukjes over. Met plaatjes van boeren.’’

,,Is Stegenga der net?’’ In de bovenzaal van Hotel Goerres in Akkrum keek een grote boer over mij heen. Collega Willem, de befaamde landbouwverslaggever, zat met zijn maten ergens in een kroeg. Ik, de jonge vrouwtjesjournalist, verving hem. ,,Stegenga hat in wichtiger putsje’’, zei ik.

Tussen de ruitjesblouses ging ik luisteren naar de vergaderboeren achter de tafel op het toneel. Het was 1990.

Een paar jaar eerder was ik in Leeuwarden aangekomen. Op een zondag, met de trein vanuit Utrecht, rugzak, fiets en schaatsen mee. Friesland was bedekt met mist. Het land leek zee, de boerderijen waren schepen. Ik was verrukt.

Een dag later begon ik bij persbureau Penn van Klaas Jansma. Vanuit Leeuwarden berichtte het bureau over het Friese nieuws in landelijke media. Jansma was een harde baas, het leerde snel. Over de economie moest ik onthouden: Friesland is een land van boeren en schippers. Van klei, zand en veen, van coöperaties en een hele berg afkortingen van verenigde belangen, ABTB, CBTB, UTD, CCF, CAF, FRS, IFKS, SKS, NAK. Inderdaad begon en eindigde elke bijeenkomst waar ik verslag van deed met de oproep om gear te wurkjen.

Hier geen prikkeldraad, er waren sloten. Iedereen wist altijd waar hij was, feilloos werden de windstreken aangewezen, dáár is de zee. Friezen waren kenners van het weer en van ijs en ze konden uitzonderlijk goed vertellen.

Zelfredzaam, taai

Dertig jaar later vat de bijlagenredactie van de LC het plan op om ‘de Friese identiteit’ te ontleden. Het hoofdstuk economie is voor mij. Het is nogal een worsteling. Waar moet ik de vinger bij leggen, welk perspectief moet ik kiezen? Goed beschouwd was dat boeren- en schippersverhaal van Klaas eind jaren 80 al achterhaald, al wordt het nog steeds graag uitgeserveerd. Ik denk vanwege associaties met zelfredzaamheid, taaiheid, kop in de wind.

Identiteit impliceert begrenzing. Eerst maar eens een hek om het onderwerp. Ik zie het voetbalstadion van Klagenfurt voor me, dat vorig jaar door de Zwitserse kunstenaar Klaus Littmann werd volgeplant met bomen. Je kunt er gratis op de tribune gaan zitten en kijken. Velen dachten dat Littmann een klimaatactivistisch statement maakte, maar dat is niet zo. Wie kijkt moet zich verhouden tot wat hij ziet, dat is alles.

loading  

Een verleidelijk beeld. De Friese economie als een overzichtelijk bos waarin alle bomen met hun wortels verstrengeld zijn, de kruinen elkaar kopjes geven, de grootsten niet alle licht van de kleintjes wegvangen. Een traag groeiend, fijn woud waarin van alles krioelt en ritselt. Met muren die de kijkrichting dwingend bepalen: naar binnen.

We kennen elkaar in Friesland allemaal en komen elkaar altijd weer tegen, nietwaar? In wisselende afhankelijkheid zodat de kantjes nooit echt scherp worden.

Het beeld is me te cliché, te vastgespijkerd, te gesloten. Het hint nadrukkelijk op het ‘DNA fan Fryslân’, dat kleffe, rassenwaanzinnig marketingconcept dat ons in 2018 voortdurend in de kelen werd gespoten.

Aan andere wankele beweringen over het Friese economiebos wil ik ook geen letters verspillen. De vermeend grote werklust bijvoorbeeld, de wederzijdse aanhankelijkheid tussen werkgever en werknemer, of het gebrek aan ambitie.

Ik parkeer mijn bos en ga cijfers bekijken. Het zou interessant zijn te weten hoeveel Friese bedrijven in de afgelopen twintig jaar een buitenlandse eigenaar hebben gekregen en later zijn teruggekocht. Dat zou iets kunnen zeggen over de gehechtheid aan de eigen, misschien wel ‘typysk Fryske’ manier van bedrijfsvoering.

Ik zoek data over het aantal baanwisselingen per werknemer. Over het aantal werknemers dat tussen de middag naar huis fietst om warm te eten. Of gaat lunchen in de stad. Het levert weinig op. Bakken vol Friese cijfers zijn er, maar in hoofdzaak gaan die over de agrarische sector, veel minder over andere bedrijfstakken.

Systeemplafond in het bos

De cijferaars opereren als Friese kunstenaars, die ook zelden industriële gebouwen of kantoren tot onderwerp kiezen. Ze kijken er omheen. Terwijl, of misschien ook wel omdat, het gros van de werkende Friese bevolking daar de werkdag doorbrengt.

loading  

Waarschijnlijk maakte juist daarom de installatie Habitat zo’n indruk op me. De kunstenaars Bouke Groen en Jerke Mulder monteerden in 2014 tijdens het festival Into the Great Wide Open op Vlieland een sy-steemplafond in het bos, compleet met tl-balken. Iedereen ging er spontaan onder zitten, ik ook. Het was vreemd, wat was daar in hemelsnaam te vinden?

Binnen werd er buiten, buiten werd binnen. Ik denk dat het geen toeval is dat Habitat in Friesland ontstond. Hier heb je op elk moment van de dag besef van buiten. Je kunt in de zorg, het onderwijs, de ambtenarij of de zakelijke dienstverlening werken, gekooid en geknecht, maar 5 minuten fietsen en je bent in agrarisch gebied waar je fraaie luchten cadeau krijgt. De nabijheid van buiten geeft een gevoel van autonomie. Ge-maakt-me-de-zeik-niet-lauw, dat.

Terug naar 1990. Bij persbureau Penn schoten de verdiensten niet op. Ik was overgestapt naar de al maar groeiende LC waar ik tegenover landbouwverslaggever Stegenga kwam te zitten. Meteen brak er boerenverzet uit. De graanprijzen waren te laag, daar hadden de aardappelboeren last van. Op 22 februari bestormden ze op hun trekkers de trappen van het Paleis van Justitie in Leeuwarden. Ik tekende het verhaal op van een boerin die zo zuinig aan moest doen dat ze een fietstochtje met haar kinderen van tevoren verkende om geen patattent te hoeven tegenkomen. Een Bildtse boerenleider nodigde me uit om eens mee te gaan op konijnenjacht. Het was relaxed. Met iedereen viel prima te praten.

Ik ging vaak voor Stegenga op pad, hij had het druk. Er viel oeverloos te schrijven over boeren, schaalvergroting, fusies. En drijfmest. Altijd weer ging het over drijfmest. Los het op, dacht ik vaak. Los het op! In plaats daarvan werd het ondergewerkt. De hardnekkige associatie van boeren met stront en urine, deed niets af aan hun status. De basishouding was: respect.

Hulpbehoevend economietje

Andere soorten bedrijvigheid dan de agrarische kregen in mijn ogen een karige en wat vreemde behandeling. Weerkerend ging het over werkloosheid, afbrokkelende Noordensteun, spreiding van rijksdiensten waar de klad in zat, het afglijden naar een filiaaleconomie, de gemiste kansen van Harlingen-Haven en het risico dat Philips uit Drachten zou vertrekken. Als het al over ondernemingen ging, waren overheid en subsidieregelingen nooit ver weg.

Het deed allemaal nogal afhankelijk aan, alsof Friesland een eigen hulpbehoevend economietje had. Terwijl Friesland deelnam aan een van de beste economieën ter wereld, de Nederlandse. Als een provincie maar 3 procent bijdraagt aan het bruto binnenlands product en er zoveel voor terugkrijgt, was blijmoedigheid ook een optie geweest.

Braindrain

Eén schijnbaar problematisch thema intrigeerde me bijzonder. De braindrain. Ik had er nooit eerder van gehoord. Goed opgeleide jongeren trokken weg uit Friesland. Naar plekken waar wél interessante banen waren op hun niveau. En wél doorgroeimogelijkheden. Uiteraard, dacht ik. Ga vooral weg van je geboortegrond, de wereld is groter.

Gaandeweg bleek de pijn niet alleen in de vertrekkers te zitten, maar ook in de achterblijvers. Wie in Friesland bleef en zijn top bereikt had, bleef jarenlang zitten op een wolk van gesmoorde ambities. Ik kwam een overmaat aan ouwe heren tegen met praatjes uit de oude doos.

Die verstopte arbeidsmarkt was een hardnekkig fenomeen waar pas tijdens de financiële crisis (2008-2014) de kurk af ging. Dat gebeurde hardhandig. Op grote schaal vielen ontslagen. Met kunstgrepen loosden werkgevers hun oudere gardes. Ze dunden uit, maar verjongden niet. Jongeren die net van de opleiding kwamen, werden massaal zzp’er.

In 2012 markeerde de daverende ondergang van de Friesland Bank het afscheid van dit tijdperk. Voor de trotse nazaat van agrarisch coöperatief Friesland ging de tijd te snel. Rabobank nam de boedel over en saneerde stevig.

Optimisme verkoopt

Twee jaar na het begin van de crisis was het leger zzp’ers al aangezwollen tot 24.000. De sfeer in werkend Friesland veranderde. Wie zichzelf en zijn talenten steeds opnieuw aan de man moet brengen, brengt beter een opwekkende boodschap. ‘Optimisme is een plicht’ werd het nieuwe credo, op Twitter parmantig vertaald met de hashtag #goedwurk. Nu, tien jaar later, zijn 34.000 Friezen zzp’er: 1 op de 10 werkenden. De coronacrisis raakte hen meteen vol in de maag.

De grotere, dikwijls afgedwongen flexibiliteit van de beroepsbevolking betekende niet het einde van de braindrain. Het verdriet hierover bleef ook. De generatie die er na de crisis stem aan gaf, was de verse culturele voorhoede die van Leeuwarden de Culturele Hoofdstad van Europa 2018 wilde maken. ‘Wij willen blijven, maar we blijven alleen als het interessant is’.

Was Friesland in de afgelopen decennia dan niet boeiender geworden? Voor hoger opgeleiden zeker wel. Een combinatie van internationale marktontwikkelingen en regionaal economisch beleid had na de eeuwwisseling gezorgd voor een grotere variatie aan banen en meer intelligent werk. Telde Friesland begin deze eeuw 59.000 banen op het hoogste niveau 4, nu zijn het er rond de 78.000.

De markt deed het meeste werk. Aangemoedigd door grenzeloos internet, goedkope vliegtickets, goedkoop internationaal telefoonverkeer, open grenzen in Europa en groeiende koopkracht in het buitenland waagden Friese bedrijven zich vaker aan internationale ontplooiing.

Een Friese handelspost opzetten in Riga was in 2006 opeens geen dwaze onderneming meer. Een stel avontuurlijke jongens uit de prille Friese ICT-scene deed het gewoon. ,,En door naar New York!’’ Er kwamen handelsmissies naar het opkomende China, deelnemers mailden naar de krant over ongelooflijke 8-baans wegen. China was veel verder dan iedereen dacht.

Die nieuwe internationale activiteiten vroegen om exportmanagers, kwartiermakers, normeringsspecialisten en kenners van het internationale handelsrecht, allemaal functies op niveau. Jarenlang liet de inmiddels flink gegroeide economieredactie van de Leeuwarder Courant wekelijks een Fries over de buitenlandse werkavonturen aan het woord. Ze zaten in alle bedrijfstakken, lang niet meer alleen in de agrarische.

Afgezet tegen de landelijke prestatie stelt het Friese aandeel in de export nog steeds weinig voor (circa 2 procent), maar groei is groei. Het cijfer verhult dat veel Friese bedrijven weliswaar niet zelf exporteren maar wel meeliften met exporteurs elders in het land. In de metaalsector gebeurt dat dikwijls.

Van oudsher was er ook een politieke drang om de Friese economie naar een hoger plan te helpen. Er was een diep besef van economische ijlheid: van bijna alles is te weinig om dominant te zijn, een ander afhankelijk te maken.

We zijn maar met weinig, 645.000 man/vrouw. Een gemeenschap met ongeveer de omvang van Rotterdam, maar zonder volwaardige haven, zonder achterland en tot voor kort verstoken van universitair onderwijs. Economisch aandikken was een logische wens.

Verschillende strategieën werden beproefd. Tot diep in de jaren 90 was het lokken van bedrijven van buiten de belangrijkste. Kandidaten kregen een wortel voorgehangen in de vorm van subsidies op bouwgrond en personeel.

Nu eens viel een vlaaienbakker voor de pegels, dan weer een fabrikant van vliegtuigkarretjes. Er zaten ook zeperds tussen. Het deed wat lukraak en soms ook onderdanig aan. Af en toe duwde het rijk een ambtelijke dienst deze kant op, maar dat waren ook niet altijd blijvertjes.

Geografische concentratie was de volgende strategie. Na lang soebatten werd een beperkt aantal industriële groeikernen aangewezen. Heerenveen was een van de winnaars, met het Internationaal Businesspark Friesland waar nu grote internationaal georiënteerde werkgevers zitten als A-ware, Fonterra en Ausnutria. Successen waren soms meer toeval dan beraamd.

Magneet

De jongste strategie is clusteren op inhoud. Versterking hoeft niet langer op Friese grondgebied plaats te vinden, zolang de Friese economie maar profiteert. Deze netwerkaanpak werkt aantoonbaar als een magneet op jonge slimmeriken.

Eerst kwam het Leeuwarder watertechnologie-instituut Wetsus met provinciale en stedelijke steun uit de startblokken, later het ICD, het Innovatiecluster Drachten.

In korte tijd wist de wateruniversiteit zich op te werken tot middelpunt van een groot, internationaal web van universiteiten en bedrijven. Binnen Friesland bracht het watercluster al tientallen bedrijven en bedrijfjes voort. Buiten Friesland zijn nieuwe markten ontwikkeld. Allemaal nog niet groot, maar wel in de voorhoede, met nieuwe banen op hoog niveau. Schoon water is mondiaal een urgent onderwerp, groei is aannemelijk.

Het ICD was aanvankelijk een club van Friese hightechbedrijven met Philips als middelpunt, maar kreeg al snel versterking van ondernemingen uit de omliggende re-gio’s. Het zijn er nu twintig. Vooraanstaand in hun vakgebied, internationaal actief. Een echte doe-club, die kennis en kenniswerkers uitwisselt.

Grenzeloos en toch geworteld. Deze ruimvallende jas past Friesland goed. Veel beter, naar mijn overtuiging, dan de strak afgebiesde Noordenjas. Die noordelijke beknelling houdt Friesland onnodig klein.

Het ei van Columbus zijn de netwerken niet. Ze genereren vooral banen in de technische en biologische hoek. De aanname dat investeringen in de top uiteindelijk ook banen op het laagste niveau genereren is een logische maar ik vond hiervoor geen overtuigend cijferbewijs. Feit is dat het aantal banen op het laagste niveau 1 in krap twintig jaar is teruggevallen van 34.000 naar 26.000. Het is een segment met veel matig gewaardeerde flexbanen.

Toch weer boeren

Doen de ijlheid van de economie en het gevecht ertegen iets met de identiteit? Ik zou het niet weten. Hoe ik de moderne Fries-economische identiteitspuzzel ook probeer te leggen, steeds past er iets niet. Ik hou stukjes over. Met plaatjes van boeren.

Een middag in 2018. In Post Plaza had ik afgesproken met collega Jantien de Boer die midden in een onderzoeksproject zat. Het was haar opgevallen dat het land zo stil geworden was. Ze miste de geluiden in het veld. Het floot, zoemde en ritselde nog maar zo weinig. Ze had een reeks interviews gehouden met boeren en burgers. Het verband met moderne agrarische technieken was onmiskenbaar.

Wat het project extra apart maakte was de enorme beladenheid. Praten over landschap bleek een hyper-emotionele aangelegenheid, vertelde Jantien. Sommige mensen reageerden woedend op haar vragen. Ook burgers. ‘Láát de boeren, ze hebben het al zo moeilijk, ze had zeker zelf geen boeren in haar familie, bek houwe, opsokkebolje.’ Landschapspijn werd een pijnlijk boek. Jantiens mailbox stroomde vol met haatmail.

Onder onze ogen, in luttele jaren, net te langzaam om alarmerend te zijn, waren met de ribbels, de dijkjes en de sloten ook de verhalen uit het landschap geveegd. De landbouw viel steeds moeilijker te begrijpen. Het gros van de melkveehouders was gaan lijken op managers van koeienmagen. Ze stuurden via hun computers een mix van abstracte verbindingen door de reactor en oogstten dan twee stromen, melk en mest.

Boerenstempel

Wanneer spreekt men nog een boer? Het bovenzaalcircuit is weg. Van de boerenstaat die Friesland ooit was (rond 1500 was ruim 70 procent van de Friese bevolking verweven met agrarisch activiteit), is nog maar een schim over. Een paar duizend man die elkaar op internetfora treffen.

Vanuit die relatieve onzichtbaarheid drukken ze niettemin een stevig stempel op het Friese economische leven. Achter elke melkveeboer staat een baaierd aan bedrijvigheid en een belangencluster van jewelste. Dierenartsen, kunstmest- en voerleveranciers, grondverzetters, melkrijders, mestverwerkers, banken, loonwerkers, kalverexporteurs, landbouwmachinebouwers, destructiebedrijven, de farmacie, noem maar op.

Ook ver buiten deze kringen wordt nog verbondenheid gevoeld. Menig Friese fabrikant die al lang iets anders maakt, heeft in de ontvangsthal vitrines staan met schaalmodellen van melkschuiten, botertonnen of kaaspersen. Vanouds en nog steeds zijn de lijnen kort met enkele politieke partijen, vooral CDA en VVD.

Bovenal: de boeren hebben grond. In Friesland driekwart van het vasteland. Juridisch hun eigendom (of van de bank of van de kerk), mentaal publiek bezit. Daar knettert het.

Haatdragend

Woensdagmiddag 18 december 2019. Trek-keractivisten blokkeren de toegangsbrug naar de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad . De meeste zijn jonge loonwerkers. Enkele had ik ’s ochtends op het Zaailand en op de Tesselschadestraat gesproken. Ik spreek ze opnieuw aan. Hoezo deze blokkade? Ik kijk in keiharde, haatdragende ogen. ,,Kutkrant. Fake news, fake news.’’ Noem eens wat, probeer ik. ,,Kutkrant, ik lês him net.’’

Ik loop terug naar de redactie. Een kwartier later belt de balie: ,,Ze zijn binnen. Ze eisen dat de landbouwredacteur komt.’’

Voor dit verhaal was het misschien mooier dat ik, dertig jaar na dato, gezegd had: ‘Van der Meulen hat in wichtiger putsje’. Ik zei: ‘Ze kunnen de pot op’.

Later hoorde ik dat boerenbestuurders in Drachten op hetzelfde moment zwaar bedreigd zijn.

Bruine sfeer

Dat is de bruine sfeer van nu. Provocerend, intimiderend, knokploegachtig, wie snel stemming wil maken krijgt hulp van trollenlegers. De richtinggevende structuren zijn verkruimeld, vakbonden en standsorganisaties gemarginaliseerd, het gezag van instituties betwist. Fragmentatie is een leidende kracht geworden.

Latere generaties moeten maar duiden wat dit zegt over de Friese economische identiteit. Eén ding is wel duidelijk. Friesland, eigenlijk heel Nederland, is niet goed in het voortvarend aanpakken van agrarische problemen. Ontkennen, wegkijken, over de schutting gooien, laten sudderen, eindeloos niks doen, pleisters plakken.

De Leeuwarder Courant was op 1 november 1969 volgens archiefdienst Delpher de eerste krant in Nederland die het woord ‘mestoverschot’ afdrukte. We zijn een halve eeuw verder. Los het op.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct