Pauline Broekema in Appingedam waar ze voor haar boek de geschiedenis van de Joodse familie Nieweg onderzocht. Foto: Jan Zeeman

Pauline Broekema: noodzaak tot wandelen om woorden te vinden voor het onzegbare

Pauline Broekema in Appingedam waar ze voor haar boek de geschiedenis van de Joodse familie Nieweg onderzocht. Foto: Jan Zeeman

In haar nieuwe boek, Het uiterste der zee , vertelt Pauline Broekema het verhaal van twee Joodse families in Friesland en Groningen. Een gesprek met de schrijfster; over fictie als cement en de noodzaak tot wandelen om woorden te vinden voor het onzegbare.

,,Kijk, daar woonden ze’’, zegt Pauline Broekema, wijzend naar een huis aan de Jukwerderweg in Appingedam. ,,Mies, Meijer en Sara.’’

Het is een gewoon huis. Met gewone ramen, een gewone deur, gewone dakpannen, opgetrokken uit rode baksteen. Hier, bij dit hek, waar de schrijfster staat, liet ze Rudy Leefsma arriveren, na de oorlog, om aan zijn tante Mies te vertellen wie wel en wie niet van de kampen waren teruggekeerd.

Een zware scène in haar nieuwe boek Het uiterste der zee. Om die te beschrijven moest ze haar huis uit, weg van haar schrijftafel, naar buiten, een frisse neus halen, de straat op, lopen, lopen, alsof ze een hond uitliet. En ze heeft geeneens een hond.

Ze liep om woorden te vinden.

‘Wie zijn nog in leven?’

,,Dan dacht ik, het moet opgelost zijn als ik terugkom. Rudy moet voor het huis van Mies staan. Hij is de boodschapper, de brenger van het slechte nieuws. Wie zijn nog in leven? Maar hoe schrijf ik dit op? Hoe reageert ze? Wat zeggen ze?’’

Het u iterste der zee beschrijft de lotgevallen van de twee Joodse families Leefsma en Nieweg uit Gorredijk en Appingedam. Een blik op de familiestamboom voorin het boek laat zien: dit is geen feelgoodstory waarin alles weer gladgestreken wordt. Geertje, Simon, Hermi, Fietje, Mietje, de oude en de jonge Benjamin, Sophia, Heiman, Samuel, Moritz, Henrietta, Salomon, Meijer, Ester, Harry, Lieske, Magda, Jozef, Izak, Magda, Jaapje – ze hebben allemaal geleefd en ze zijn allemaal vermoord in de oorlog. Het verhaal nagelt je vast aan je stoel.

Vier jaar lang werkte Broekema aan Het uiterste der zee . In een kaal kamertje aan de overkant van haar huis in het Gooi, waar de buren haar boterhammetjes brachten en koffie met zelfgebakken cake. ,,En ik heb heel vaak gedacht: dit komt nooit goed, dit komt niet af.’’

Wel, dus. Vorige week presenteerde ze het boek in de Groninger der Aa-kerk, in het bijzijn van Mies’ dochter Sara Kirby-Nieweg, die was overgekomen uit Engeland.

Want het boek begon bij Sara.

Familieverhalen van tante Johanna

,,Peter Breukink van de Stichting Oude Groninger Kerken vroeg me of ik een boek wilde schrijven over het materiaal dat Sara had verzameld over haar familie. Ze had foto’s en brieven, ze had familieverhalen gehoord van haar tante Johanna, ze had haar eigen herinneringen genoteerd voor de memory classes die ze volgt in Londen.

Ze wist veel over haar moeder Mies, die in 1955 stierf, maar over haar vader Meijer, die in de oorlog was vermoord, wist ze heel weinig, maar bijvoorbeeld wel dat hij boottickets op zak had om met zijn jonge gezin naar Engeland te vluchten, maar ze niet had gebruikt omdat zijn moeder zei: ‘Maar dan laat je ons alleen.’ Wat ik tekenend vond: Sara heeft haar herinneringen pas opgeschreven toen haar kinderen groot waren, omdat ze hen een gelukkige jeugd gunde.’’

We wilden dat allemaal niet in het boek zetten, dat zou maar afschrikken

Achterin het boek is een indrukwekkende verantwoording opgenomen van Broekema’s eigen research. Ze las dagboeken van tijdgenoten, sprak met nabestaanden, pluisde de archieven na, las advertenties en berichten in oude kranten, keek documentaires, struinde het internet af. ,,Thuis ligt nog een hele stapel literatuur om te vermelden op mijn website’’, zegt ze. ,,We wilden dat allemaal niet in het boek zetten, dat zou maar afschrikken.’’

Research is één, het vertellen van wat je hebt onderzocht is een tweede. Dat vereist een fraaie pen als die van Pauline Broekema. Het verhaal is gestoeld op degelijke feitenkennis, maar niet alles wat in Het uiterste der zee staat, is daadwerkelijk zo gebeurd. Legde Heiman zijn handen op de brug terwijl hij over de Opsterlandse Compagnonsvaart keek? Stond hij wel op die brug? Is hij echt twee dagen weggelopen van huis? Nee, maar het had gekund, zegt ze. ,,Ik heb fictie gebruik als cement. Ik keek naar zijn foto en zag zijn felle ogen. Ik dacht: die man moet nieuwsgierig geweest zijn.’’

Fietsles achter de fabriek

Of Benjamin Nieweg daadwerkelijk fietsles heeft gehad in de fietszaal achter de fabriek aan de Hereweg? Dat weet niemand. ,,Hij had een fiets, wist ik. Welke fiets? Er waren er vele, toen. Ik wou het beste voor hem. Dus ik gaf hem een Fongers.’’

Maar Fongers’ Rijwielschool, dat weet ze, die was er. Mannen en vrouwen moesten er leren fietsen, langs grote kussens die hun val moesten breken – in tien lessen moest het lukken.

Enthousiast: ,,Die eerste fietsen! Er ging een wereld voor me open toen ik dat onderzocht. De Groninger Beeldbank had fantastische filmpjes, waarin je mensen ziet zwalken over de weg. Er waren nog geen fietspaden natuurlijk.’’

Zo is Het uiterste der zee niet alleen een verhaal over twee Joodse families, maar ook over het vooroorlogse Gorredijk, over de stad Groningen, over Appingedam. En over hoe hoopvol mensen aan hun toekomst werkten, hoe maakbaar het leven leek te zijn, tot alles anders werd.

,,De humaniteit was alles waar ik me aan vast kon klampen’’, zegt Broekema. ,,Want ik heb heel vaak tijdens het schrijven gedacht: hoe hebben ze de góre moed gehad.’’

Ze schenkt boter over de poffert bij de koffie in het Hof van Daam. Er komt een vrouw naar het tafeltje. ,,Pauline, wil je mijn boek even signeren?’’ Natuurlijk wil ze dat.

loading

Hier in Appingedam is ze niet alleen de verslaggeefster van het NOS-journaal , niet alleen de schrijfster, ze is Pauline.

,,Ik ben hier veel geweest voor het boek’’, zegt ze. ,,Dan keek ik naar de brug en dacht: hier heeft Mies gelopen, voor het eerst met een ster op haar jas, op weg naar haar schoonouders, die inmiddels geen winkel meer mochten hebben. Die moeder met dat kindje in de kinderwagen. Hoe moet dat geweest zijn?’’

In Het uiterste der zee komen en gaan vele personages, maar degene met wie ze zich het meest verwant voelt is de in 1955 overleden Mies Nieweg, kleindochter van Heiman Leefsma uit Gorredijk, vrouw van Meijer Nieweg en moeder van Sara.

Vereenzelvigd met Mies

,,Dat was zwaar. Om haar te beschrijven moest ik door haar ogen kijken. Ik hoorde bijvoorbeeld van nabestaanden dat ze tijdens haar onderduikperiode bij bovenmeester Siek Attema in Oudehaske veel in bed had gelegen. Ik dacht: waarom ligt iemand in bed? Om de tijd te korten. Ik heb me met Mies vereenzelvigd, maar zonder me haar toe te willen eigenen, dat zou niet passend zijn. Maar ik ben zelf moeder. Hoe was het voor mij geweest om mijn kind af te geven aan vreemden om ervoor te zorgen dat het veilig zou zijn. En om het dan nog heel even een keer terug te mogen zien op mijn verjaardag? Dat waren momenten dat ik weer buiten ging lopen. Ik heb me tijdens het schrijven vaak verdrietig gevoeld.’’

Zelf is ze opgegroeid in de Rivierenbuurt van het na-oorlogse Groningen, waar het leven optimistisch was. Een babyboommeisje, zo gek op tekenen dat ze overwoog om naar de kunstacademie te gaan tot ze koos voor een baan als leerling-journaliste bij de Meppeler Courant . Ze houdt van haar werk als verslaggeefster. Omdat ze, elke journalist zal het herkennen, hoopt dat ze soms, heel af en toe, een verschil kan maken, en daarmee de wereld een stukje mooier.

Maar sommige dingen zijn niet mooi te maken, ook al wil je dat nog zo graag. Dat weet ze. ,,Bij ons thuis was de oorlog er altijd. De jongste broer van mijn moeder is aan het eind van de oorlog gefusilleerd door de Duitsers. We wisten: de shoah is het allerergste uit de geschiedenis, en er was altijd die vraag: hebben we wel genoeg gedaan om dat te voorkomen?’’

Parallel met de wereld van nu

Wie het boek leest, zal er niet aan ontkomen, af en toe een parallel te trekken naar de wereld van nu. ,,Als ik wel eens verzucht, hoe moet het in de wereld, denk ik: er zijn altijd Attema’s.’’

Ze pakt het laatste restje poffert in een servetje, mee voor onderweg naar huis, in het Gooi.

Ze loopt door de Dijkstraat terug naar haar auto. Langs de huizen, de bruggen, de ramen, door de straten, dezelfde straten waar de voetstappen van de Joodse bewoners efficiënt werden uitgegumd, waar het leven zich, net als in Groningen, in Gorredijk en in al die andere plaatsen, heeft herpakt, maar waar zich ooit een drama voltrok.

Wat rest, is steen.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct