De noordse woelmuis, hier op archiefbeeld, werd dit weekend niet aangetroffen. FOTO MARCEL VAN KAMMEN

Op muizenjacht rond de Snitser Mar, maar waar is de noordse woelmuis?

De noordse woelmuis, hier op archiefbeeld, werd dit weekend niet aangetroffen. FOTO MARCEL VAN KAMMEN

Het barst van de muizen op de eilanden en in de zomerpolders bij de Snitser Mar. Maar de bijzonderste van allemaal, de noordse woelmuis, laat zich niet meer zien. Of toch?

Een dot hooi, pindakaas, droge havermout, wortel- en appelsnippers en een paar meelwormen. Dat was de inhoud van de 210 muizenvallen die het afgelopen weekend op scherp stonden op de landtongen en eilanden in en rond de Snitser Mar.

Voordat deze zomerpolders per november onder water komen te staan, wordt de muizenbevolking gepeild. Grote vraag: hoe is het met de noordse woelmuis? De stand van dit zoogdiertje is in dertien onderzoekjaren zienderogen teruggelopen. Vorig jaar werd er voor het eerst zelfs niet eentje gevangen, terwijl concurrerende soorten als aardmuis en rosse woelmuis oprukten.

Lees ook: In de 210 muizenvallen rond de Snitser Mar zijn 281 muizen gevangen

,,Dat we ze niet vangen hoeft nog niet te betekenen dat de soort hier is verdwenen’’, zegt expert Nico Beemster van ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga in Feanwâlden om de moed er in te houden. Sinds 2007 gaat hij jaarlijks op pad met coördinator Sjoerd Bakker, eerder boswachter en nu vrijwilliger bij Staatsbosbeheer. Collega’s, stagiaires en vrijwilligers helpen in ploegen mee om de intensieve klus tot een goed einde te brengen.

Bij het krieken van de vrijdagochtend start Bakker in Goingarijp de motor van het SBB-werkschip Lytse Griene. Hij en Beemster varen uit met Pieter Sjoerdsma van Staatsbosbeheer en de stagiaires Inge Kok en Rutger Menger, studenten diermanagement en milieukunde aan Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden.

loading

De eerste vangronde is doorgaans de beste, vertelt Bakker onderweg naar de Frijgêrzen. ,,Ik ferwachtsje yn elts gefal in protte mûzen. It is in topjier foar in protte soarten. En we ha al frijwat aktiviteit sjoen by de fallen.’’

Deze inloopvallen, waar de dieren levend uit horen te komen, zijn dinsdags geprepareerd en woensdags op vaste plekken in het gebied geplaatst. Zo konden muizen alvast de weg naar het voer vinden. Donderdagmiddag zijn alle vallen op scherp gezet. Nu wacht de eerste van vijf inspectierondes, te beginnen op de Frijgêrzen. Hier staan 20 vallen in een rietveld en 20 andere op het hooiland ernaast.

O p de Frijgêrzen staan twee keer twintig vallen De eerste helft is verscholen in een zompig rietveld. Stagiair Menger, die een zak hooi meedraagt om de vallen meteen weer te vullen, heeft als enige geen laarzen aangetrokken. Hij staat al gauw tot zijn knieën in het water als hij een slootje over het hoofd ziet.

Omdat gevangen muizen van de schrik vaak plassen en poepen als ze worden gemeten en gewogen, heeft Beemster niet zijn zondagse veldtenue aangetrokken. ,,Het wordt altijd een kliederboel. Ik was na afloop wel vijf keer mijn handen.’’ Dat is ook om besmetting met de vooral aan ratten gelinkte ziekte van Weil te voorkomen.

Uit zijn jaszak tovert Beemster een verschoten en gekreukeld plastictasje. Van de V&D-schoolcampus 2012: ‘School is what you make it’. Sjoerd Bakker heeft er eentje van H&M, met bikinimodellen. Deze tasjes blijken een essentieel gereedschap te zijn in het veldonderzoek. Je kiepert er de inhoud van een muizenval in en vist er de plukken hooi uit totdat je alleen een beestje overhoudt. De truc is om het muisje vervolgens – pas op dat-ie niet in een hoekje kruipt! – van buitenaf vast te pakken en daarna de zak er af te pellen, zodat je de muis ferm in zijn nekvel kunt grijpen. Dan hangt-ie stil om van alle kanten te worden bevoeld en bekeken.

De eerste muis die uit de vallen komt is geen succesnummer. Het is een aardmuis die onbedoeld het einde van de meetprocedures niet levend haalt. ,,Dat is nou jammer”, zegt Beemster. ,,Dat is van de stress, hè. Ja, dat komt voor…’’

E r zijn in het zompige rietland nog volop muizen over, is al snel duidelijk op de Frijgêrzen. De 20 vallen leveren 5 aardmuizen en 11 dwergmuisjes op. Op het naastgelegen hooiland is de oogst magerder: 2 bosmuizen, 2 veldmuizen en 16 lege vallen. Bij de volgende stop, De Graverij, komen uit 30 vallen 24 muisjes. Hier kunnen voor vandaag twee nieuwe soorten worden bijgeschreven: bosmuis en rosse woelmuis. Zo telt het lekker op. Op de Greate Griene (60 vallen, 22 muizen) meldt ook de bosspitsmuis zich nog.

loading

Van de noordse woelmuis geen spoor. En dat is jammer, want dit bescheiden beestje geldt als een bijzonderheid. Het is de enige zoogdiersoort met een geheel eigen Nederlandse populatie. Die is een overblijfsel van de laatste ijstijd. De dieren bewogen mee met het ijs. Toen dat zich tegen het einde van het Weichselien terugtrok naar het noorden, bleef een deel van de woelmuizen hier hangen om zich in de loop der eeuwen te ontwikkelen tot een geïsoleerde ondersoort: Microtus oeconomus arenicola.

Deze noordse woelmuis houdt van hoge, grassige vegetatie. Waar hij niet van houdt is concurrentie. Zodra aardmuis, veldmuis en/of rosse woelmuis verschijnen, trekt de soort zich terug in rietlanden, moerasgebieden en zomerpolders. Om natte voeten geeft de noordse woelmuis niet en zwemmen kan hij als de beste. Zo houdt hij nog stand in De Alde Feanen, op de Makkumer Noordwaard en op een eiland in de Fluezen. Beemster hoopt dat de beestjes ooit het Lauwersmeergebied nog eens bereiken, waar de omstandigheden tegenwoordig relatief gunstig zijn.

R ond de Snitser Mar is het vlammetje bijna gedoofd. De omstandigheden gaan er achteruit door het ,,starre waterpeil’’ in de Friese boezem, zoals Beemster het noemt. ,,Dat is de doodsteek voor veel natuur. Tot in de jaren vijftig kon het peilverschil tussen zomer en winter hier oplopen tot een meter, maar na 1968 is dat niet meer dan 30 centimeter geweest. Met die dynamiek verdwenen ook de geleidelijke en rietrijke overgangen tussen water en land. Om afslag te voorkomen hebben we er basaltstroken met een rietrandje voor teruggelegd, maar dat is niet hetzelfde. Daar lijdt de noordse woelmuis onder, maar de moerasvogels waarschijnlijk nog veel meer.’’

Bijkomend probleem voor de eilandnatuur is de bodemdaling door diepontwatering in het omliggende gebied. Waar de zomerpolders eerder de laagstgelegen gebiedjes waren, liggen deze nu juist het hoogst. Dat heeft effect op de waterhuishouding. Het schone kwelwater dat hier eerder omhoog kwam en bijdroeg aan een rijke natuur, zijgt nu weg naar het omliggende landbouwgebied. Beemster: ,,Zonder kwel en overstromingsdynamiek is de ziel uit het systeem. Dan kun je niet verwachten dat alles hetzelfde blijft.’’

Wat te doen? Beemster zou het liefst de waterpeildynamiek weer een kans geven. Zolang dat er niet inzit, kan met een aangepast beheer best iets worden gewonnen. Houd de begroeiing op de droge oevers waar mogelijk kort. Daarmee ontmoedig je de aardmuis die graag in de oude rietruigte zit. Dieper in de zomerpoldertjes kunnen juist de nattere gedeelten extensiever worden beheerd door er niet te maaien.

loading

In het muizenteam heeft ieder zijn eigen rol. Sjoerd Bakker noteert, Inge Kok meet, terwijl Rutger Menger en Pieter Sjoerdsma zorgen dat de vallen vers hooi en voer hebben en weer op scherp staan voor de volgende ronde. Beemsters specialiteit is het herkennen van de muisjes. Bosspitsmuizen, dwergmuisjes en bosmuizen zijn een makkie, maar het determineren van een woelmuis vraagt om een kennersoog: is het een aardmuis, een rosse woelmuis, een veldmuis of misschien toch de noordse woelmuis?

I n theorie zijn er duidelijke verschillen. De aardmuis onderscheidt zich door zijn net wat kortere, dikkere staartje, met een donkerder bovenkant. Zijn buikje is leigrijs, waar dat van de veldmuis ietsje geliger is. De rosse woelmuis heeft een nog lichter buikje, een rossige waas over zijn rugvacht en ,,een beetje een hazenlipsnuitje’’. En de noordse woelmuis? Die zou zich moeten verraden door zijn ruigere kop, de wat langere staart en donkerder poten.

Dat is de theorie. De praktijk is echter ingewikkelder. De eerste complicatie is dat de muizenvangers steeds maar een beestje tegelijk zien, waardoor er niks valt te vergelijken. Twee: de meeste gevangen dieren zijn ‘sub-adult’, waardoor alle kenmerken nog niet duidelijk te onderscheiden zijn. Drie: een deel is ook nog eens natgeregend, waardoor de vacht er uitziet als een piekerige puberkuif met gel.

En dan is er nog een vierde complicatie: onder muizenkenners bestaat het vermoeden dat de woelmuisjes zich zelf ook niet altijd aan het onderscheid tussen de soorten houden. Daardoor zouden hybridebeestjes ontstaan met vervaagde kenmerken. Beemster, voorzichtig: ,,Ik vermoed wel dat er zoiets aan de hand is. Maar dat is alleen hard te maken met DNA-onderzoek.’’

Waar bos-, spits- en dwergmuizen meteen na determinatie worden losgelaten, krijgen de woelmuizen een uitgebreidere behandeling. Beemster wil onder de staart kijken, om het geslacht te bepalen. Hij keert de muisjes om, brengt ze naar zijn mond en blaast de haartjes zachtjes opzij. Zo kan hij de afstand tussen anus en plasgat monsteren. Bij mannetjes zit hiertussen meer ruimte.

B ij sommige beestjes zijn de geslachtskenmerken een stuk duidelijker. ,,Mannetje – grote ballen’’, meldt Beemster dan. Of: ,,vrouwtje – tepels’’ en ,,vrouwtje – open vaginaatje’’. Dat zijn functionele constateringen die iets zeggen over de geslachtsrijpheid van de dieren of het feit dat ze net jongen hebben geworpen. Het zijn zelfs aparte categorieën in de tabellen die Sjoerd Bakker steeds nauwgezet invult.

loading

Bakkers klembord fungeert ook als onderzoekstafel. Beemster strekt de muis, zodat stagiair Inge Kok met een schuifmaat de lengte van lijf en staart kan bepalen. Vervolgens knipt ze met een schaar een stukje vacht weg op de linkerdij van de muis. Mocht het beestje in een volgende ronde opnieuw in een val lopen, dan is hij te herkennen als recidivist.

Het laatste onderdeel van de check-up is het wegen. Daarvoor wordt de muis in een ziplock-zakje gestopt en aan Beemsters pesola gehangen, waarmee het gewicht – inclusief het zakje van 8,5 gram – tot op de tiende gram te bepalen is. Voor de liefhebbers: de dikste vangst van de dag is een aardmuismannetje (met grote ballen) van 40,7 gram en een lengte van 119 millimeter.

Zo levert de eerste zoekronde 108 beestjes op, maar geen enkele noordse woelmuis. Beemster: ,,Dat is toch ook wel een beetje een teleurstelling. Toen we in 2007 begonnen vingen we ze op alle plekken wel. Nu niks meer. Zo snel kan het gaan.’’

Is het daarmee gedaan met de noordse woelmuis bij de Snitser Mar? Misschien toch niet.

Op het eiland Lytse Griene zijn vrijdag- en zaterdagavond drie subadulte beestjes uit de vallen gehaald met een ,,rûge kop, in ljochte búk en in langere sturt as gemiddeld’’, aldus Sjoerd Bakker. Beemsters collega Marten Sikkema determineerde de diertjes. Het zouden noordse woelmuizen kunnen zijn, al maakt de aanwezigheid van aardmuizen op hetzelfde eiland dat weer een stuk minder waarschijnlijk, benadrukt Beemster. Van een dier zijn keuteltjes meegenomen voor DNA-onderzoek. Bakker: ,,Absolút wis binne wy net, mar wy hâlde hoop.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct